Luuk Gruwez. Gedichten van een wonderbejaarde

 

 

Deze recensie over de laatste bundel van Leo Vroman verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

GEDICHTEN VAN EEN WONDERBEJAARDE

 

Dat zoiets als een wonderkind bestaat: oké, dat wil je wel aannemen. Maar het bestaan van een wonderbejaarde is al veel minder evident. Toch is het geen overstatement Leo Vroman zo te noemen. ‘Daar’ is een verzameling gedichten van maar liefst 216 bladzijden die de thans zesennegentigjarige dichter tijdens de afgelopen jaren bijeengeschreven heeft. Onvermijdelijk is dat soms met een zekere rijmlust en op automatische piloot gebeurd. Maar net zo goed is hier en daar een pareltje te lezen. Het bewijst dat Vroman niets van wat men met een log cliché als ‘frisheid’ bestempelt, verloren heeft. Wat levert ouderdom overigens op voor de poëzie die hij schrijft? Alvast een grotere betrokkenheid op het lichaam met zijn soms bizarre kwaliteiten en zijn toenemende mankementen, alsook een focus op het essentiële, om niet te zeggen het primaire, datgene wat de zintuigen direct frappeert. En verder vanzelfsprekend een vermogen om de dingen die voorbij zijn met voldoende relativiteitszin en heel veel zelfspot naar waarde te schatten. Maar daaraan heeft het Vroman nooit ontbroken.

 

Zoals zovelen van zijn collega’s wijdt hij gedichten aan het schrijven, hier – meer specifiek – aan het schrijven op de oude dag, alsof hij daarmee wat hij ‘het einde van het einde’ noemt, almaar uit probeert te stellen, hoewel hij beweert dat hij inmiddels overal vrede mee heeft. Vorige bundels van zijn hand droegen laconieke titels als ‘Nee, nog niet dood’ en ‘Soms is alles eeuwig’. Zolang dat einde er niet onomkeerbaar is, blijft Vroman vanwege zijn sprankelende geest veeleer de dichter van het begin van het einde dan van ‘het einde van het einde’. Sprankelen is wat deze gedichten in elk geval willen doen, bijvoorbeeld in zeer fysieke gedichten over de spijsvertering. Zij moeten de dichter zelf en zijn lezer wakker houden. Zij ademen volop levendigheid en levenslust in de schaduw van een dood die wel enigszins dreigend over de dichter heen blijft balanceren, maar kennelijk niet weet hoe te vallen.

 

Niet te geloven dat hier nog altijd een haast kinderlijke verwondering regeert over al het bestaande. Zij wordt gekoppeld aan het nuchtere waarnemingsvermogen en de nieuwsgierigheid van de wetenschapper die Vroman tenslotte ook is: misschien is deze alliantie wel het geheim van zijn lange leven. De poëzie blijkt een terrein waarop hij sinds zijn kindertijd nooit ouder is geworden. Wat hem daarnaast ook in leven houdt, is zijn absolute weigering om zich door een poëtische burn-out te laten aanvreten. Deze gedichten vormen  met hun onverstoorbare getol een soort perpetuum mobile waarmee de dichter ook zichzelf draaiend houdt. Sommige van zijn collega’s beschouwen de eeuwigheid als een tijd die hun na de dood vergund zal zijn. Vroman doet er alles aan om dichtenderwijs te bekomen dat hij dat eeuwigheidsgevoel al tijdens zijn leven mag beleven, vanwege het feit dat er geen einde aan zijn einde komt. ‘Al voel ik een einde naderen,’ schrijft hij, ‘toch blijf ik groeien/ als een beuk met
zwarte bladeren.’

 

Geestig is deze dichter in hoge mate. Niet alleen wanneer hij het over zijn eigen lijf heeft en hoe dat er onderhand uitziet. Ook, bijvoorbeeld, in een gedicht gericht aan zijn uitgevers: ‘Staar ik voor het laatst achterom/ als ik aan het eindpunt kom/ en zie mijn verzamelde werken/ toch nog niet uitgegeven/ dan zal ik jullie wel even/ iets pijnlijks laten merken:/ dan blijf ik doodgewoon leven.’ Als lezer weet je na zo’n uitspraak niet wat je moet wensen: dat de dichter onverzameld in leven blijft of dat zijn verzameld werk nu eindelijk eens uitgegeven wordt.

 

____________________

 

LEO VROMAN

 

Daar

 

Querido, 19,90 euro

 

 

 

 

Omslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.