Luuk Gruwez. Alle tijd is altijd verleden tijd

DE SIRENE

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

ALLE TIJD IS ALTIJD VERLEDEN TIJD

 

Veel schrijvers hebben de neiging poëzie, al dan niet terecht, het hoogste literaire genre te vinden. Allard Schröder, de gevierde romancier die met ‘De hydrograaf’ in 2002 de Ako Literatuurprijs behaalde, doet over deze kwestie in het nawoord bij zijn bundel nogal laconiek: ‘In al die jaren dat ik proza en essays schreef, heb ik ook wel eens een gedicht gemaakt, meestal op momenten dat ik niets dringends onder handen had (…).’ Verder bekent hij dat hij die gedichten puur voor zijn eigen genoegen heeft geschreven. Niettemin stelt hij dat wie gedichten schrijft, dit alleen maar serieus kan doen. Voor wie het nawoord als voorwoord leest, is de toon hiermee meteen gezet. ‘Het meisje met de afstandsbediening’ is een selectie uit wat Schröder in vijfendertig jaar heeft bijeengedicht, maar nooit heeft gepubliceerd. Welk gedichten uit welk jaar stammen, is hem intussen ontschoten. En het is duidelijk dat hij ze niet in een programmatische bundel heeft willen onderbrengen. Hij eigent zich een allegaartje van stijlen toe, trekt zich van rechtlijnigheid en keurig afgebakende poëtica’s niets aan, deelt zijn bundel niet in cycli in. Het kan hem eigenlijk niets verdommen of het al dan niet zo hoort. Hij valt voor de charme van zijn eigen diversiteit.

Betekent dit dat deze bloemlezing een lukrake opeenstapeling van gedichten is? Eigenlijk niet. Wat thematisch samenhoort, staat ook min of meer samen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de poëzie die de dichter naar antieke voorbeelden heeft geschreven, gedichten in de stijl van Latijnse elegiaci als Propertius en Tibullus, van een epigrammendichter als Palladas of in die van Homerus. Jeugdherinneringen met opvoering van vader, moeder en oma staan dan weer achterin. Hoe disparaat van toon en stijl de gedichten ook zijn, Schröder kan niet verhelen dat hij een voorkeur voor muzikaliteit heeft. Een essay van zijn hand van enkele jaren geleden heet niet voor niets ‘Prima la musica, poi le parole.’ Niet alleen lezen wij een poëtische transcriptie van beelden die bij hem opdoemen wanneer hij naar de muziek van Anton Webern luistert, maar ook is zijn stijl vaak zangerig. Hij is in het algemeen bijzonder auditief ingesteld. Getuige een gedicht als ‘Bartaal’, een registratie van wilde, in elkaar overvloeiende flarden gesprek die hij in een bar opvangt. Schröder weet hier met een orgie van auditieve gewaarwordingen een tafereel op te bouwen. En in ‘Hartruis der sferen’ bepaalt hij zijn nietige plaats in het heelal aan de hand van wat hij met de radiotelescoop waarneemt: ‘Het stofje op de naald – hoor, dat ben ik.’ Het is de oneindigheid van de sterren die ons, zoveel eindiger, eenzaam maakt. Niemand krijgt de eeuwigheid cadeau. En solidariteit is alleen denkbaar tussen sterfelijken: ‘Uiteindelijk, het wachten moe, legden ze het hoofd op mijn schouder.’

Die poging om de essentie van een chaotische werkelijkheid, die altijd veel groter dan hijzelf is, in het korset van een tafereel te wringen, is er ook  in ‘Supermarktgedicht’. Het gaat hem hier niet louter en alleen om een enumeratie van wat er in zo’n warenhuis aan mensen en consumptiegoederen valt waar te nemen. De dichter introduceert telkens weer enkele indringende, ontregelende of anderszins opvallende gebeurtenissen. Hier laat hij naast hem een zot tot aan de kassa meelopen die hem om de haverklap vraagt wat de ontbijtkoek kost. Of hij merkt en passant ‘een donker voorbijgaand wicht’ op dat ‘naar abrikozen ruikt’ en hem zin doet krijgen vanillevla met haar te eten. Wanneer hij aan de kassa komt, slaagt Schröder er met één enkel woord in die wirwar van sensaties af te ronden: ‘Zegels.’ Het klinkt als de bezegeling, het tot bedaren brengen van alle onrust die hij in zijn gedicht tot dan toe heeft verwekt. 

Uit een aantal soms luchtige verzen weerklinkt een onderliggend streven naar rust en sijpelt angst. Kosmische angst soms, zoals in ‘Op de Camping’: ‘Straks na het eten nog even leven, dan naar bed met lichte angst/ voor sterrengruis (…).’ En het gedicht eindigt in beklemming: ‘Dichtbij smiespelt, kruipt het, schuift het, fluistert wat niet gewis is,/ alsof we niet bestaan, vreemdeling zijn op alle werelden,/ wij, kinderen van het licht, wij, wezen in het donker, luisteren/ ademloos hoe het bloed zich een weg door ons baant: zwart.’ Volmaakt geluk is uitgesloten omdat een mens is begiftigd met de pijnlijke wetenschap dat het op elk moment kan worden verstoord. En dat het ook zál worden verstoord. Er is één wet waarvan deze dichter zich ononderbroken bewust is: die van de onvermijdelijkheid. ‘(…) alle tijd is altijd verleden tijd,’ lezen wij. De onvermijdelijkheid is de extreemste zekerheid. Maar zekerheid is helaas onvruchtbaar: ‘Onderweg naar huis weet ik zeker dat ik er zal aankomen,/ daarom blijf ik staan om rond te kijken./ Waarom zou ik een voet verzetten voor wat toch al vaststaat?’ Daartegenover staat dan toch weer de verlokking om verder te leven: ‘Daar verschijnt het meisje met de afstandsbediening;/ gedwee maar opgelucht gaan we haar achterna.’

Schröder is niet de man van de bedwelmende illusies, hij doorprikt ze liever, of laat zien hoe zij vroeg of laat worden doorprikt. ‘Kleine antimetafysica’ is zo’n gedicht waarin hij er blijk van geeft zich grondig van zijn biologie en zijn stoffelijkheid bewust te zijn. Hij dicht nooit over de hemel of over het hoge zonder het te hebben over wat zich lager dan de begane grond bevindt: de kuil. Het is hem erom te doen te vermijden dat hij daarin valt. Zo ook in ‘Zondeval’, het prachtige slotvers dat mij de dichter laat zien in de gedaante die mij het liefst is: die van nog een vijftal andere gedichten aan het einde, waarin hij zijn vader en zijn moeder schetst, een memorabele oma (‘de planeet Oma, hemellichaam op steunkousen’) en ook de jongens- en titaantjesjaren en het melancholisch craquelé van de epoque die daarbij hoorde.

In dat slotvers evoceert hij een zomerse scène waarin moeder met haar kinderen op picknick gaat en een laken over de grond wil spreiden dat tegelijk wil opbollen en dreigt weg te vliegen. Het is een spel tussen hemel en aarde dat ook elders wel voorkomt. Maar belangrijk is ook dit: dat laken is ‘zo teder en stralend vol genadewit,/ dat je eronder vluchten wilt voordat/ ‘t voorgoed voor ons gevallen is.’ Het fatum wil dat een broertje er algauw chocolademelk op omstoot en een zusje er eigeel op morst. Want dat is Schröder ook, ten voeten uit: dichter van de ontluistering, die zelfs de ontluistering relativeert. Het gedicht eindigt gortdroog: ‘Het was mooi weer.’

 

______________________

ALLARD SCHRÖDER

Het meisje met de afstandsbediening,

De Bezige Bij, 47 blz., 17,50 euro

 

Bookmark and Share

Comments are closed.