Delphine Lecompte. De Verdoemde Vrouw (4 gedichten)

De Verdoemde Vrouw

Dit is de natuur en daar ligt jouw aard

 

Jij heult met de vijand

Mijn eerste vijand en jij heult

Ik kan niet huilen

Mijn huilen is uitgeteld

Dus scheld ik tegen de paraplubak

Die ik gisteren gestolen heb van mijn nicht.

 

Mijn nicht is perfect rondborstig

Drie keer per dag vergeet ze

Dat ze niet mag eten

Twee keer voor zonsondergang

Bedrijft ze de liefde met een hondse metselaar

Twee maal drie keer vraagt ze genade

Aan een gigantische eekhoorn in piepschuim.

 

Jij schreeuwt wanneer ik je veranda besmeur

Je schreeuwen klinkt koket

Alsof je in een parochiale versie van Blauwbaard

De vrouw met de kleverige sleutel speelt

Ik mis hoe we vroeger waren.

 

Mijn eerste vijand is mijn kok geworden

Door een sinistere samenloop van omstandigheden

Ligt er een onthoofde vis op mijn babybord

Til ik de vis op

Dan vind ik ogen

Blaas ik de ogen weg

Dan vind ik vissen met koppen in een wrakloze zee.

 

 

Hemellichamen gespeend van staarten

 

Hij beschrijft een aandoenlijke planeet

Die nog ontdekt moet worden

Naast het keukentrapje staat een toiletborstel

Die lijkt op een wraakzuchtige telescoopvis

Maar zo’n vis ben ik nog nooit tegengekomen.

 

Ik vraag hem waarom de borstel daar staat

En waarom zijn hond Saturnus heet

Hij antwoordt met koude linzen in een kom

De kom mist de illusie van rennende hazen

Zijn hond likt bedachtzaam bessenresten van de grond.

 

Zijn vader komt binnen om toestemming te vragen

Toestemming om met geld naar een vrouw te gaan

De vrouw is een voluptueuze garnalenpelster

En hij wil een sjaal voor haar kopen

Een bonte sjaal waarop caleidoscopische paarden steigeren.

 

Hij geeft blasé ostentatief briefjes aan zijn vader

Die vroeger een geniale astrofysicus was

Maar nu willekeurig destructief door gaten waadt

Saturnus draait en beseft te laat

Dat hij geen staart heeft om aan te sabbelen.

 

De ex-astrofysicus vindt een sjaal

En een speen waar ooit melk uitkwam

Voor een doodgeboren zoon

De garnalenpelster heeft de melk niet verspild

Het is dankzij haar dat ik Saturnus ken.

 

 

Gewelddadig blauw in de veranda van de verdoemde vrouw

 

In jouw droom draag ik een degelijke jas

Zo’n jas werd ooit gedragen door een strenge vrouw

Die in Praag jouw gids was en wees

Naar een dissidente toneelschrijver in brand

Maar het was trucage of een hallucinatie.

 

In jouw ochtendritueel leg ik een boterham op je bord,

Trek ik de vaatdoek van de kanariekooi,

Groet de postbode die mij uitlacht

Omdat de indruk van een wafelijzer in mijn handen staat

Maar het zijn stigmata of speculaasvormen.

 

Mijn dag begint

Wanneer jouw hoofd verdwijnt

Onder de motorkap van een wielloze auto

Die vroeger werd gebruikt door een vroedvrouw

Om bezeten meerlingen naar steriele gravinnen te transporteren.

 

Ik trek mijn gewelddadig blauwe herfstjas aan

En fiets hongerig strijdvaardig naar mijn opdrachtgever

In de veranda van zijn bedlegerige moeder val ik uit de toon

Ik strijk stomend nachtkleedjes die geesten met levenden verzoenen

En zakdoeken waarop onbesproken herders

Suikerwafels ontvangen van een valse profeet.

 

In de badkuip van de bedlegerige moeder droom ik

Dat ik je gids ben in Praag

Ik heb de touwtjes in handen

Lege zuivelrekken kunnen mij niet ontmoedigen

Wanneer ik wijs wijs ik naar een geldig briefje op de grond

Maar het is een diagnose of een doodsbedreiging.

 

 

Mensen blijven onvatbaar

 

Ik wil vandaag normaal zijn

Daar heb ik jou voor nodig

Jij bevestigt mijn naam en verjaardag

Gisteren was maandag

Vandaag gaan we vermomd als baders

Naar de kruidenierszaak van je enige dochter.

 

In de auto luisteren we naar de radio

Gelukkig spreekt daar niemand

Die om ons geeft

Een man die al gestorven is zingt

Over een ontsnapte gevangene

Je zegt inconsequent dat je dochter vroeger getrouwd was

Met een anorectische kiwisorteerder die hotelzeepjes verzamelde.

 

Mijn vader zit in een cel

Hij boent zijn vloer met bijenwas

En denkt hartstochtelijk aan zijn dochter

Hij begrijpt niet waar die hartstocht vandaan komt

Hij zoekt naar de Zweedse vertaling van ‘bij’

Voor hij die vindt is zijn derde vrouw op.

 

Jij ziet mij graag blozen

Wanneer ik vraag waar het zout staat

Trek je een blad van mijn rug

In alcoholstift staat daar dat ik hoogmoedig ben

‘Het is waar!’ zegt je enige dochter gretig.

 

De derde vrouw van mijn vader vertrekt

Naar een onpopulair bedevaartsoord

Toegekomen eet ze zittend

Op een gedumpte tombolaprijs sandwiches met stroop

Daarna bidt ze dat hij zich aangeeft.

 

 

© Delphine Lecompte, 2011

(Lecompte se derde bundel ‘Blinde gedichten’  sal in Januarie 2012 by die uitgewer De Bezige Bij Antwerpen verskyn. – Red.)

Bookmark and Share

Comments are closed.