Luuk Gruwez. De lezer wordt schrijver (Toon Tellegen).

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

DE LEZER WORDT SCHRIJVER

Toon Tellegen

Toon Tellegen

Er heeft altijd wel wat experimentele filosofie gescholen in de poëzie van Toon Tellegen. Filosofie in negligé, ontdaan van de plechtstatigheid van pak en das. Dit is ook hier weer het geval. ‘Schrijver en lezer’ brengt het relaas van een driehoeksverhouding tussen de schrijver, de lezer en het woord. Het is poëzie over het schrijven zelf, over de grens tussen leven en schrijven en over het spanningsveld van aantrekking en afstoting, identificatie en distantie tussen schrijver en lezer. Met tussen beiden in die vermaledijde woorden, die het hier evenzeer voor het zeggen hebben als de schrijver of de lezer. Want zo zit Tellegens poëzie in mekaar: hij legt een staaf dynamiet onder het vanzelfsprekende gezag van de dichter en laat zijn woorden naar hartenlust rebelleren. Ook al voert hij zijn potentiële alter ego, ‘de schrijver’ genaamd, telkens weer prominent op in de eerste, in het rood afgedrukte regel van bijna alle gedichten. En ook al zorgt Boris Tellegen voor een ascetisch tegenwicht door strak gestapelde kubussen te tekenen bij de meandrische verzen van zijn vader.

Dit kan niet voorkomen dat het met die woorden, gepersonifieerd en voorzien van een eigen willetje, vaak een heel gebakkelei blijft. Zij zijn namelijk te duchten medespelers: ‘er ontstaan vechtpartijen,/ voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder/ naar elkaar’. Hoe vaak lezer en schrijver begrip voor elkaar proberen op te brengen, ook tussen hen is het niet altijd rozengeur en maneschijn. Vandaar dat deze bundel zich eveneens laat lezen als het verslag van een machtsstrijd. Daarbij schijnt nu eens de ene partij het te zullen halen, dan weer de andere. De dichter, beladen met schuldgevoel en plichtsbesef, twijfelt intussen zijn gedichten bij elkaar.

Tellegen rebelleert net zo goed zelf tegen de woorden en hun dwingelandij. Hij verzet zich tegen hun eis om neergeschreven te worden, streeft in minstens één gedicht naar een wereld zonder woorden, al beseft hij de vergeefsheid daarvan: ‘De schrijver schrijft:/ ik moet niets,/ maar hij weet dat hij zich vergist (…)’ Schrijven blijft zijn verdomde plicht, omdat hij ‘een kleine, maar significante en duurzame afstand/ tussen hem en de wanhoop moet scheppen – / (…) dat alles moet hij,/ moet hij nu’. Met andere woorden: door te schrijven probeert de schrijver de wanhoop te ontvluchten. Het verschil tussen schrijver en lezer blijkt verderop in dit gedicht dat tussen kunnen en niet kunnen te zijn. De lezer probeert zich op te trekken aan de schrijver, is in eerste instantie volkomen afhankelijk van diens kunnen: ‘de lezer denkt:/ ik kan niets – / hij bloost,/ zijn moeder aait hem zachtjes over zijn hoofd:/ “armoedige jongen van mij…”.’

Niettemin gedraagt diezelfde zich soms vijandig tegenover de schrijver. Misschien net doordat hij niet zonder hem kan. Bovendien blijkt hij door diens verkleefdheid aan woorden besmet. Alleen vindt hierin naar het einde toe een ommekeer plaats. Terwijl de schrijver met toenemende intensiteit naar een wereld zonder woorden streeft (‘waarin mensen geen mensen zijn,/ God geen god is’) en naar een bestaan zonder schrijven, blijkt de lezer het in het slotgedicht van de schrijver over te nemen. Hij eigent zich zijn woorden toe, wordt zelf schrijver en voelt diezelfde pijn, misschien wel de motor van de hele schrijverij.

Simultaan gaat dit gepaard met het verlangen van de schrijver zich van zijn ik te bevrijden binnen een wereld die hem te vaak een leiband omdoet en van hem onophoudelijk engagement en betrokkenheid vereist. De schrijver ‘herinnert zich weer de schoonheid van genade/ en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,/ gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt in het grote, blauwe niets.’ Aan de basis van de wens niet langer te bestaan, ligt vermoeidheid. ‘De schrijver is het schrijven moe,’ lezen wij. En verder: ‘hij wist niet dat woorden zo zwaar konden zijn.’ Hij ziet zich voor het bekende dilemma geplaatst: schrijvenderwijs deelnemen aan de wereld of er juist afstand van nemen. Zijn onvoorwaardelijke trouw aan de woorden richt hem hier letterlijk te gronde: ‘als het donker wordt en de weg langzaam omhoog gaat/ bezwijkt hij/ (…)/ zijn “ja” wordt hem fataal.’

Waar het de schrijver in wezen om gaat, is de definitie van de eigen identiteit. Hoe ziet dat ik eruit, is het nog herkenbaar en hoe maak je het vatbaar voor verbetering? Er is een punt in de bundel waarop hij vaststelt dat hij zichzelf nog amper herkent en zichzelf nooit meer tegenkomt en daar met zijn schrijven verandering in wil brengen. Net dan is niet hij het, maar de lezende lezer die zichzelf herkent. Het wemelt in deze gedichten van wederkerige voornaamwoorden als ‘mijzelf’ en vooral ‘zichzelf’. De schrijver wil op het ene moment zijn eigen ik wel kwijt in het ‘grote, blauwe niets’ dat hem zo lokt , maar op een ander moment staat hij zijn ik niet toe dat het hem ontglipt, precies alsof hij niet goed weet waar zijn voorkeur naar uitgaat: naar bestaan of naar niet bestaan. In deze houding verschilt hij overigens niet van de lezer: ‘weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet/ hadden willen worden geboren?’

Het is dan ook in relatie met de lezer dat de schrijver zich aan de hand van woorden zoekt te definiëren. Dit staat er: ‘Toen de schrijver de wereld had verbeterd/ rustte hij en dacht: wat zal ik nu eens gaan verbeteren? mijzelf? (…) hij dacht langdurig na over zichzelf,/ ontleedde zichzelf/ (…).’ En ook dit: ‘de lezer, (…)/ hoorde hem krassen in zichzelf/ (…) en probeerde begrip voor hem op te brengen.’ Die rustende schrijver roept natuurlijk connotaties met de scheppende God op, die na gedane taak een rustdag invoert. Maar zo overtuigd van de perfectie van zijn schepping als God in al zijn zelfgenoegzaamheid beweert te zijn, is de schrijver nooit, reden waarom hij ten slotte met scheppen moet doorgaan: nooit is het werk af. Het is uiteraard zeer verraderlijk in de schrijver niemand minder dan Toon Tellegen zelf te lezen. De vraag is: doet dit er iets toe? Eigenlijk niet. Zelfs als dat zo is, dan is hier in elk geval iemand aan het woord die afstand doet van zijn particuliere biografie en voor universaliteit opteert.

Er zit doodshunker in deze gedichten, maar net zo goed de wil om te ontkomen. De ‘schrijver’ laat zich motiveren door liefde, maar evengoed vindt hij ‘liefde’ een overbodig woord dat maar best weggegooid kan worden. Deze voortdurende twijfelzucht maakt dat de lezer uiteindelijk veel vrijheid van interpretatie wordt gegund en de dichter zowel naar het niets als naar het leven volgen kan.

 

De schrijver wil niet langer over liefde schrijven –

 

waarom zouden mensen van elkaar houden?

er is daar geen enkele noodzaak toe

 

hij gooit zijn pen weg, klimt op de tafel

en roept:

‘nog niet het begin van een noodzaak is daartoe!’

 

maar telkens als hij niet over liefde schrijft,

wat een enkele keer gebeurt,

opent zich een afgrond voor hem,

net groot genoeg om in te vallen

 

en de lezer komt binnen, ziet hem vallen,

springt hem achterna.

 

 

© Toon Tellegen.

 

 

_______________________

TOON TELLEGEN

Schrijver en lezer

Met tekeningen van Boris Tellegen

Querido, 73 blz., 18,95 euro

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.