Janita Monna. Zoals de schaduwen aan de kleine voetstapjes

 

Twee poëziefilms: ‘Black butterflies’ en ‘Poetry’

 

Waarschijnlijk was Asta Nielsen de eerste filmster die bezongen werd in poëzie. De Vlaamse dichter Paul van Ostaijen verheerlijkte haar pagina’s lang in zijn Bezette stad. Poëzie en film hebben elkaar sinds die eerste innige omarming begin vorige eeuw niet meer losgelaten. In Nederland nam bijvoorbeeld K. Schippers een correspondentie met Stan Laurel op in zijn gedichten, en wie het werk van een dichter als Jan Baeke leest, vindt daarin tal van sporen van klassieke en hedendaagse films.

En zeker, ook omgekeerd hebben filmregisseurs dankbaar gebruik gemaakt van poëzie. Van de suggestieve kracht van het beeld – in filmrecensies vaak als ‘poëtisch’ omschreven. Van gedichten zelf: het werk van W.H. Auden vloog de winkels uit nadat in het kassucces ‘Four weddings and a funeral’ (met Hugh Grant) diens gedicht ‘Funeral blues’ was voorgelezen. En daarbij zijn in de loop der tijd tal van schrijvers- en dichterslevens verfilmd, van John Keats tot Sylvia Plath.

Onlangs verschenen er twee films waarin poëzie een belangrijke rol speelt. Het leven van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker werd verfilmd in ‘Black butterflies’, geregisseerd door Paula van der Oest, met Carice van Houten als Ingrid en Rutger Hauer als haar vader Abraham Jonker. Ook ging ‘Poetry’ in première’, van de Zuid-Koreaanse Lee Chang-dong. Twee zeer verschillende films, die een totaal andere omgang met poëzie laten zien.

Dat het korte leven van Ingrid Jonker verfilmd wordt is niet verbazingwekkend, want daarin speelde zich meer drama af dan in één film is te vatten. Ze werd geboren in 1933. Vader Abraham Jonker, een strenge man met ambitieuze literaire en politieke plannen, verliet het gezin voor Ingrid was geboren. Ingrid woont in haar vroege jeugd, samen met moeder Beatrice en haar twee jaar oudere zus Anna, bij oma (‘ouma’). Het is een tamelijk arm, maar ook vrij leven met altijd de ruisende zee van Gordonsbaai op de achtergrond.

Als ze acht is, worden zij en haar zusje opgenomen in het gezin van Abraham Jonker en zijn vrouw; het leven van de zusjes wordt in een keurslijf gepropt.

Ingrid krijgt een dochter met Floris Venter, Simone, maar het huwelijk houdt geen stand. Ze gaat op kamers wonen in Kaapstad, en komt daar in aanraking met de anti-apartheidsgezinde schrijvers van die tijd. Met Jack Cope, een soort vaderfiguur, krijgt ze een stormachtige relatie. Ook zijn er liefdes voor andere mannen, onder wie André Brink.

De fascinatie van Van der Oest zal, zo lijkt het, in eerste instantie hebben gelegen bij het dramatisch verlopen en te vroeg geëindigde leven van Ingrid Jonker. Waar haar leven en de poëzie elkaar raken, hoezeer schrijven ook leven is voor Jonker – daar geeft deze speelfilm geen antwoord op. Niet anders dan in de clichés die over dichters en poëzie bestaan.

Carice van Houten speelt in ‘Black butterflies’ een op seks beluste, hysterische, dronken en depressieve Ingrid Jonker. Dat doet ze vol overgave, maar het beeld dat in de film van Jonker ontstaat is vlak, en haar beweegredenen zijn niet overal even invoelbaar. Nu is vaker gezegd, bijvoorbeeld in de documentaire ‘Korreltjie niks is my dood‘ (2001) van Saskia van Schaik, dat Jonkers verschijning altijd voor spanning en roering zorgde. Maar we zien haar toch wel erg weinig schrijven in de film. Als we de biografische schets van Henk van Woerden, opgenomen in de bundel Ik herhaal je, mogen geloven, was het schrijven voor haar zo natuurlijk als ademhalen. Ze maakte al kleine versjes toen ze samen met ‘ouma’ de ‘veldkerk’ verzorgde. Nu zijn kijvende geliefden, abortussen met breipennen of politieke onlusten zonder meer filmgenieker en spannender om naar te kijken dan iemand die schrijft aan een tafel. ‘Durf eens iemands worsteling met woorden te laten zien!’ zou je de regisseur willen toeroepen. Hou op met dat quasipoëtische schrijven op beslagen ramen, of in netjes gelinieerde regels de muren van haar kinderkamer volpennen. Geef haar pen en papier.

Zou Van der Oests fascinatie bij de poëzie gelegen hebben, dan had ze haar film nooit in het Engels gemaakt. Dat de beide Nederlandse hoofdrolspelers een andere dan hun eigen taal spreken, ach, maar dat de gedichten van Jonker geen seconde klinken in de taal waarin ze geschreven zijn, is een gemiste kans. Ingrid Jonker schreef in het Afrikaans. En haar eerste bundel verscheen in 1956. Dat Afrikaans is zangerig, ritmisch, met mooie plofklanken, zoals in het woord ‘klip’.

Gek is dat toch, dat regisseurs de poëzie en de dichter niet echt te lijf willen gaan. Alsof het aura van heiligheid dat om de dichtkunst hangt te groot is om doorheen te breken, alsof dichters louter praten in eigen dichtregels, en een depressieve vriend troosten met de woorden – ‘You must run towards the light, not away from it’. Alsof schrijven niet ook gewoon hard werken is, in plaats van half dronken inspiratie ontvangen in de schemering.

In ‘Black Butterflies’ ligt álles er te dik bovenop: alleen al Ingrids bijna-verdrinking in zee, en de redding door Jack Cope – een vooruitwijzing naar haar latere verdrinkingsdood. 

En waar het echte drama zit, waar de schrijfster knakt en stikt in haar eigen onvermogen om samen te zijn met de man die ze wil, daar laat de film het afweten. Haar Europareis – betaald van het geld dat ze won met de ABP Prize – was een ramp. Ze reisde samen met de schrijver André Brink (die overigens in de film als Eugène Maritz wordt opgevoerd), maar halverwege ging ieder wegens heftige ruzies zijns weegs.

Terug in Zuid-Afrika was ze niet meer dezelfde. Die hele episode beslaat in de film niet meer dan een paar minuten, en daarin wordt een (zoveelste) abortus als oorzaak van haar depressie aangevoerd. Of dat nu klopt of niet, in de film is het allerminst geloofwaardig.

Wie echt geïnteresseerd is in Jonkers werk en leven doet er het beste aan om haar gedichten te lezen, en daarna de integere documentaire van Saskia van Schaik te bekijken. Zij sprak veel belangrijke mensen in Jonkers leven, van haar dochter Simone tot schrijver André Brink.

Het is of de regisseur van ‘Black butterflies’ het publiek vooral niet te veel met poëzie wilde lastigvallen. En als dat voor het verhaal niet anders kan, dan maar door het publiek te bevestigen in haar clichébeeld van wat een gedicht, van wat poëzie eigenlijk is. Want je vraagt je af of dat vragen zijn waar regisseurs als van Van der Oest of Christine Jeffs, die de film over Sylvia Plath regisseerde, wezenlijk in geïnteresseerd zijn. Poëzie lijkt meer een bijzaak om een dramatisch leven te kunnen vertellen; gedichten verwoorden gevoelens, komen in een opwelling van inspiratie boven, maar zijn geen producten van taal, van eindeloos prutsen op een regel.

Poetry

Poetry

Hoe anders het kan bewijst de film ‘Poetry‘, van de Koreaanse Lee Chang-dong. Daarin draait het juist om het maken van poëzie, het vinden van het juiste woord en de inval van het juiste beeld. Het begint zelfs met taal, als Mija, een lieflijke, fragiele oudere dame tegen de dokter verklaart: ‘Ik vergeet woorden de laatste tijd.’ Mija, die de zorg heeft voor een lethargische puberende kleinzoon, besluit – voor het eerst in haar leven – een cursus poëzieschrijven te gaan volgen. Ze zit gewapend met schrijfblok en potlood onder een boom en kijkt. Wanneer een voorbijganger haar vraagt waarom ze naar een boom zit te kijken, zegt ze: ‘Ik luister naar zijn gedachten en probeer te begrijpen wat hij me zegt.’ De mooie oude Mija, die nooit een letter schreef, zoekt naar woorden om de boom in te vangen. De voorbijganger begrijpt er niks van, maar in al zijn eenvoud laat deze scène meteen zien dat Lee Chang-dong wél gevoel voor poëzie heeft. In zijn film krijgt poëzie zelfs een zekere symbolische lading.

Achter de onverschillige ogen van kleinzoon Jongwook gaat namelijk een drama schuil waar hijzelf niet erg onder lijkt te lijden, maar zijn oma des te meer. De jongen heeft samen met enkele schoolvrienden een klasgenootje gepest en verkracht, waarna het meisje zelfmoord heeft gepleegd. De vaders van de andere jongens willen hun schuld bij de moeder van het meisje afkopen, maar Mija, die met het verzorgen van een oude, gehandicapte man een schamel inkomen verdient, kan het gevraagde bedrag onmogelijk ophoesten. De vaders spannen haar voor hun kar: zij mag de moeder van het dode meisje overhalen het geld te accepteren. Ze wandelt door de velden, hapt in een abrikoos en elk beeld is scherp in deze scène. De goed geklede Mija, het boerenveld, de lieflijk ogende wereld, vol smaak gesymboliseerd in de hap die ze neemt van een abrikoos, het staat allemaal in schril contrast met de harde zakelijke boodschap die Mija moet brengen.

Vaak kunnen ernstige onderwerpen, verpakt in lichte, eenvoudige taal, tot aangrijpende poëzie leiden. Zo ook in ‘Poetry’. Mija zegt niks over geld als ze de vrouw ontmoet, maar praat over de natuur. De lelijkheid die Mija in het dagelijks leven het hoofd moet bieden is verpakt in bloemen en abrikozen. Woorden die haar in het dagelijks leven in de steek laten, vindt ze wel als ze schrijft:

 

Zoals de wind gaat liggen en verdwijnt

Zoals de schaduwen

Aan de kleine voetstapjes die me volgen

Is het tijd om afscheid te nemen

 

Lee Chang-dong laat door deze Mija zien hoezeer schrijven noodzaak kan worden, meer dan Van der Oest daarin slaagde bij Ingrid Jonker.

Net als de film zelf is gedichten schrijven een poging om dat wat er voor onbegrijpelijks om je heen gebeurt te doorgronden. Een tijdelijk venster op de werkelijkheid. Wie van poëzie houdt, moet ‘Poetry’ zeker zien.

 

Dit artikel verscheen eerder dit jaar in het poëzietijdschrift Awater.

 

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.