Edwin Fagel. Mooi (3)

Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter – Liedjes aan de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid (1930)

Met zijn bekende ‘Zie je ik hou van je’ (uit de Verzen van 1890) schreef Herman Gorter al op jonge leeftijd een gedicht dat nu nog geldt als een klassieker. Ik ken in de Nederlandse poëzie geen gedicht dat net zo direct en net zo geladen is. De eenvoud van het gedicht is verraderlijk: iedere verliefde tiener zou ze kunnen uitspreken. Maar ik denk dat geen enkele dat inderdaad zo zou kunnen. Want behalve de evidente liefdesverklaring die het gedicht verwoordt, en die feitelijk het ‘I love you, please be true’ – gehalte van een middelmatig popliedje niet overstijgt, getuigt het gedicht ook van een romantische inborst die bijna te groot is voor één man, en – wellicht daardoor – van een enorme spanning en onzekerheid. Met name de slotstrofe (‘Zie je ik wou graag zijn / jou, maar het kan niet zijn’) vormt de opmaat van de diepe wanhoop waar de Verzen uiteindelijk in eindigen.

Gorter schreef de Liedjes aan het eind van zijn leven. Hij stierf in 1927 en de bundel verscheen postuum in 1930. Na het communistische epos Pan (1916) had Gorter geen gedichten meer gepubliceerd. De verschillende postume publicaties laten zien dat hij in de laatste tien jaar van zijn leven misschien wel zijn sterkste werk schreef.

In de Liedjes laat Gorter zien dat hij nog steeds de gave had om onthutsend direct te formuleren. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het is niet waar dat dit het zonlicht is’:

Het is niet waar dat dit het zonlicht is,

Gij zijt het.

Dit is ook niet de wind die over het water blauwt,

Die is zoo zacht niet,

Gij zijt het.

Dit is ook de aarde niet, de hemel niet,

Zoo schoon zijn die niet. Gij zijt het.

Wat bij ‘Zie je ik hou van je’ nog een bijna doorsnee liefdesverklaring van een jongen aan een meisje was, is in dit gedicht een alomvattende liefdesverklaring aan wat hij ‘de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid’ noemde. Hij drukte daar een heilsverwachting mee uit, een bijna mystiek ideaal dat hij verwachtte van de vervulling van het communistisch ideaal. De flaptekst van mijn exemplaar (bezorgd door Jacob Groot) zegt het eigenlijk wel goed: “In Liedjes lukt het Gorter tot een late, grootse synthese te komen van pure, erotische lyriek en idealistische verwachtingspoëzie, waarbinnen zijn hoofdmotieven ‘landschap’, ‘lichaam’, ‘liefde’ en ‘licht’ mysterieus versmelten.”

De bundel is opgebouwd uit drie delen van in totaal 11 reeksen, opgebouwd uit overwegend korte en zeer korte – maar tegelijk zeer rake en directe – teksten. Het hierboven geciteerde gedicht is bijvoorbeeld nog een van de langere. Niet toevallig schemert in het woord ‘blauwt’ iets van de jongere Gorter door. De Gorter van Verzen maakte wel vaker werkwoorden van zelfstandig of bijvoeglijk naamwoorden, of andersom. Hij ontwikkelde een woordenschat die het meest precies uitdrukte wat hij wilde zeggen.

Hier gebeurt iets dergelijks. Strikt genomen ‘blauwt’ de wind niet, die is kleurloos. Maar dat ene woord roept het beeld op van een oceaan waarbij het water af en toe door de wind wordt opgelicht. Het is opmerkelijk dat hij dat hier doet op een plek waarbij het hem duidelijk niet primair om de natuur is te doen, maar om hetgeen zich daarachter, of daarboven, bevindt: ‘Gij zijt het’. De formulering is, vermoed ik, bewust plechtstatig: het gedicht krijgt daardoor het karakter van een gebed.

De bundel is hecht gecomponeerd en bestaat zoals gezegd uit drie delen: ‘Bij het naderen van de revolutie’, ‘Bij het komen van de revolutie’ en ‘Bij de nederlaag der revolutie’. Er wordt bij voortduring een Geliefde aangesproken. Deze Geliefde is al direct mystiek, al wordt ze ook op diverse plaatsen zeer lijfelijk beschreven. Tot de dichter tot de conclusie komt: “Niet uw lichaam, / maar uwe ziel”. In de latere delen wordt ook het woord gericht tot bijvoorbeeld de Strijd, de Vrijheid, het Gouden Meisje, en het ligt voor de hand dat er voor de dichter geen onderscheid bestaat tussen deze zaken. De communistische revolutie wordt in de bundel verheerlijkt als de verwezenlijking van een utopie – de symbiose van het communisme, de geliefde en de natuur. Het is de concretisering van een heilsverwachting voor de hele mensheid die voor de dichter gepaard gaat met een extase die vergelijkbaar is met die van mystici als Hadewijch.

Al tijdens het leven van Gorter liep het verkeerd met het communisme (enkele gedichten uit de Liedjes drukken Gorters zorg daarover uit). Ik denk dat het idealisme van Gorter uiteindelijk niet zo heel veel meer met het communisme te maken had. Het was de uitdrukking van een menselijk verlangen naar eenheid, geluk en harmonie. Anderen noemen een dergelijke heilsverwachting Boeddha, God of Hemel. Bij Gorter was het communisme een ideaal dat hij in de werkelijkheid wilde verwezenlijken, maar waar hij uiteindelijk enkel gestalte aan kon geven in de poëzie.

(Edwin Fagel)

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Edwin Fagel. Mooi (3)”

  1. Pieter Wolmarans :

    Wat ‘n lieflike inskrywing oor ‘n lieflike digter! Dankie, Edwin. Jou stuk vat my sommer ver terug na my studentejare toe Gorter (en Hendrik Marsman) my eerste kennismaking was met “groot digters” van die wêreldletterkunde. Veral van Gorter gehou omdat daar vir my heelwat raakpunte met NP Van Wyk Louw, ons eie “groot” digter, was. Marsman was vir my weer soos Opperman. (Dan ook nie om van Nijhoff te vergeet nie, nè …)
    Nogmaals dankie vir jou insiggewende bydraes.