Janita Monna . Gerbrandy eerder de classicus

Piet Gerbrandy – Smijdige witheid

Piet Gerbrandy

Piet Gerbrandy

‘Eigenlijk vind ik dat alle gedichten over tieten moeten gaan,’ verkondigde Piet Gerbrandy onlangs tamelijk stellig in een interview. Dat de dichter-classicus van vrouwen houdt en graag hun rondingen, bezingt, was in zijn vroege bundels al duidelijk: ‘Dat er de vrouw bestaat/ met rondingen van zachtst/ graniet’. En al was ook hij van mening dat poëzie over enkel en alleen tieten ‘onverteerbaar’ zou zijn, zijn nieuwste bundel, Smijdige witheid (smijdig: buigzaam, lenig) gaat opnieuw over liefde. Leg je deze bundel naast de verzen van zo’n vijftien jaar geleden, dan valt meteen op dat het vele wit rond de vroegere bondige, samengebalde verzen heeft plaats gemaakt voor tekst: als meer Nederlandse dichters waagt ook Gerbrandy zich aan prozapoëzie. Alleen al in typografisch opzicht doet de titel de bundel eer aan. Een van de prozastukken, ‘Een welgeronde bol’, heeft het wit en de poëzie dan ook tot onderwerp.

Smijdige witheid telt vijf grotere tekstgehelen die nu eens de vorm van een theatertekst aannemen, dan weer gesteld zijn in briefvorm, of als verdedigingsrede. Daarbij worden prozafragmenten doorsneden met strofische gedichten. Maar alle teksten hebben de liefde, het verlangen, de nabijheid van een ander tot onderwerp.

 ‘Wij liggen’, luidt de openingsregel van de bundel, die gevolgd wordt door vier pagina’s proza waarin op zakelijke, weinig opzienbarende toon de situatie van het liggen wordt beschreven. Het waarom van de handeling – ‘Hoe zijn wij in deze positie terechtgekomen?’ Het doel ervan: ‘Wat kun je doen als je ligt. Tenzij je gaat vrijen is er weinig afleiding maar kun je vrijen nog liggen noemen.’ En de gevolgen van een mogelijke beëindiging van de situatie. Het is een filosofische exercitie, gedachten over verlangen, afscheid, de ander. Een exercitie die begint en eindigt met een ‘ik’, maar die tussentijds veralgemeniserend in de ‘je’-vorm is geschreven. 

Ook elders worden persoonlijke ontboezemingen afgewisseld met filosofische bespiegelingen. Zo komt een brief met een gedetailleerd en persoonlijk verslag van een eenzame kampeerder die de avances van drie Ierse vrouwen weerstaat, uit bij de overwegingen van de twaalfde-eeuwse Andreas Capellanus’ over zuivere en onzuivere liefde. Het prozagedicht balanceert tussen uiterst intiem en afstandelijk, tussen lichaam en geest. ‘De tekst staat tussen ons in, als een welgeronde bol van liefde’; het is het gedicht dat verbindt. Dat we te maken hebben met een gedicht, en niet met een dagboek, maakt de toon van de slotregel van iedere tekst wel duidelijk. Die klinkt als een meta-stem die de lezer even attent maakt op een (formeel) aspect van de tekst: ‘Waar de ziel is gebleven wordt niet opgehelderd.’ Als wil de spreker waken voor al te grote intimiteit.

Er zijn in Smijdige witheid momenten waarop je je afvraagt waar de poëzie gebleven is. Nogal eens tart Gerbrandy (opzettelijk?) de goede smaak met knollen van regels: ‘Maar elkaar kennen is door gewenning aan in elkaars bijzijn uitgevoerde handelingen op te houden te weten dat je elkaar niet kent.’ In een filosofische verhandeling kun je zo’n regel door de vingers zien, in een dichtbundel is het slikken. Maar er blijft plaats voor poëzie, zoals in ‘Een steenworp afstand’. Hier zoekt iemand een laatste rustplaats voor zijn oude fiets en vindt die in een wrakke schuur. De roestige oude fiets (metafoor voor de geliefde?) leunt tegen de muur van het schuurtje: ‘Het bouwsel heeft voorlopig weer een functie. De fiets ook. Ze lijken aan elkaar gewaagd.’ Uiteindelijk is het ook de filosofie waar de bundel op teruggrijpt, want in niet alleen in de titel, ook formeel en inhoudelijk is Smijdige witheid te zien als een ‘imitatio’ van Boëthius’ De vertroosting van de filosofie. Gerbrandy toont hoezeer een actuele denker, een denker van alle tijden is. De oude ‘vertroosting’ heeft niets aan waarde ingeboet. Die incorporatie van de vijfde- eeuwse denker heeft tot intiem essayerende prozafragmenten geleid, maar minder tot poëzie. In Smijdige witheid is eerder de classicus en wetenschapper Gerbrandy aan het woord, dan de dichter.

 

(…)

Nu liggen wij hier. Een van ons moet als eerste zijn gaan zitten en

heeft zich toen uitgestrekt op de aarde. De ander zal zich recht-

standig of zittend opgelaten hebben gevoeld en heeft zich naar

het onvermijdelijke gevoegd. Minder waarschijnlijk is een exact

synchrone uitstrekking. Moeheid kan een drijfveer geweest zijn. Of

 nieuwsgierigheid.

(…)

 

Piet Gerbrandy – Smijdige witheid. Contact, isbn 978 90 254 36025, 56 pagina’s, 19,95 euro

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.