Janita Monna . Schröder, Moll & de Jong

Allard Schröder – Het meisje met de afstandsbediening; Maarten Moll – Lichaam ; Sjoerd de Jong – Uit het lood

Er zijn in Nederland, naar het schijnt, zo’n zeshonderdduizend mensen die weleens een gedicht schrijven. Tal van mensen hebben dus een geheime la, vol zielenroerselen, hersenspinsels en andere meer of minder poëtische notities. Het gros daarvan brengt het niet verder dan die bureaula, of de welwillende ogen van een familielid. Maar zo nu en dan bevindt zich onder die zondagsdichters een bekendere Nederlander, iemand die elders zijn sporen heeft verdiend. En dan durft een uitgever zo’n la wel om te kieperen en er een kaftje om te doen.

Allard Schröder

Allard Schröder

Onlangs verschenen drie poëziedebuten van mannen die in de literatuur en in de journalistiek een zekere bekendheid genieten. Zo blijkt Allard Schröder naast romans als De hydrograaf (AKO-literatuurprijs 2002) en Grover, en essays, verhalen en vertalingen, ook een kleine dertig gedichten te hebben geschreven. Die bundelde hij in Het meisje met de afstandsbediening; Maarten Moll, redacteur en literair journalist van het Parool, publiceerde Lichaam, en NRC-redacteur Sjoerd de Jong schreef Uit het lood.

Schröder, een zestiger, schrijft in zijn nawoord, zoekend naar een verklaring waarom hij pas nu tot publicatie komt: ‘Enfin, ik heb er in elk geval de leeftijd voor.’ De verzen kwamen met tussenpozen tot stand, als het met het andere schrijfwerk niet wilde vlotten. Hij maakte epigrammen (daartoe geïnspireerd door vertalingen die hij maakte van Griekse epigrammen; zoals hij vaker klassieke dichters navolgt), schreef scènes uit een jeugd, en langere supermarkt- en barimpressies. Maar hoe verschillend ook in vorm, er is een zekere continuïteit te ontdekken: uit veel gedichten spreekt een verlangen naar een veilige, beschermde omgeving. Een zoeken naar wat vertrouwd is en tegelijk buiten de muren van wat bekend is willen treden.

‘Steen voor steen bouw ik mijn huis, om weer verscholen

naar de dwaze lach van de grote wereld te luisteren.’

Schröder heeft een wat gedragen toon, waarin hij grote woorden als ‘weemoed’ en ‘eeuwigheid’, ruim baan geeft. Het zijn afgeronde verzen die hij schrijft, maar overtuigen als dichter doet Schröder uiteindelijk niet.

Maarten Moll

Maarten Moll

Veertiger Maarten Moll onderneemt een interessantere exercitie. Hij poogt zijn vader, de man die hij duizend keer zag, nauwgezet vast te leggen: ‘Als je hem moet identificeren aan de hand van een lijk zonder hoofd/ krijg je het moeilijk.’ Moll beschrijft de ledematen, de ingewanden, de lichaamssappen, het aangezicht, de bewegingen en het handschrift van de vader: een anatomische les als ligt vader bij professor Tulp op de snijtafel. Moll durft intiem te zijn: hij laat de oude vader ingedut op de wc zitten, denkt aan de binnenkant van zijn dijen, ruikt aan zijn sokken (‘Voor de onderbroeken/ was hij nog niet dood genoeg.’). Er ontstaat een eerlijk portret dat van de vader beslist geen heilige maakt. Maar een poëtisch requiem wil het niet worden: daarvoor is Moll te wijdlopig en zijn taal te prozaïsch; bovendien hebben zijn regels nogal eens syntactische onhandigheden (wat wonderlijk is, voor een vlot schrijvende journalist). ‘Wat weten we van de knieën van The Beatles?// Of die van mijn vader?’

Kennelijk zijn er nog altijd mensen die denken dat een gek afgebroken zin en een witregel hier en daar, van woordbrij poëzie maken. Anders valt het niet te verklaren dat Uit het lood van Sjoerd de Jong voor poëzie is aangezien. Hij maakt staccatozinnetjes met zelden meer dan acht lettergrepen en strofen van een regeltje of vier. Daarmee vuurt hij observaties van modern Nederland op de lezer af. Hij schrijft pamflettistisch over Vinexwijken, angst voor jongeren, sfeerloze winkelgalerijen, onderbuiksentimenten en politieke aangelegenheden. Collega-dichter Ilja Leonard Pfeijffer prijst het werk van De Jong op de achterflap aan als ‘moedig’. De Jong noemt dingen inderdaad bij de naam, is actueel, maar dit is geen poëzie: ‘waarom de pakkans voor/ pedofiele pensionados/ zoveel hoger ligt/ dan die dat jullie het/ ooit ergens/ over eens worden’.

Dat een gewaardeerd journalist als De Jong Uit het lood als poëzie wilde uitgeven, kan niet anders dan een grap zijn.

Het is de vraag of deze mannen een dichterlijk oeuvre zullen bouwen. Het lijken me poëtische eendagsvliegen, en in sommige gevallen is dat maar beter ook.

 

Billen

 

Na het zien van de vele kastelen aan de Loire

in een kuil van een tweepersoonsbed op de laatste kamer van het hotel

lig je dan na 37 jaar, 4 maanden en 28 dagen rug aan rug

met je kont tegen de kont van je vader.

 

Een paar millimeter stof tussen de naakte billen.

Je verdringt de angst om lepeltje lepeltje te ontwaken.

 

Je denkt een tijd aan de kont van je vader

hoe herinneringsloos je bent aan die billen.

 

Je ervaart het bijna als een gemis terwijl zijn warmte in je omhoogkruipt.

 

 

Maarten Moll, uit: Lichaam

 

Allard Schröder – Het meisje met de afstandsbediening. De Bezige Bij, 48 pagina’s, 17,50 euro, isbn 9789023465393

Maarten Moll – Lichaam. Contact, 64 pagina’s, 24,95 euro, isbn 9789025436544

Sjoerd de Jong – Uit het lood. Prometheus, 72 pagina’s, 14,95 euro, isbn 9789044617641

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

2 Kommentare op “Janita Monna . Schröder, Moll & de Jong”

  1. Een uitstekend stuk. Dergelijke uitgaven doen het aanzien van de poëzie geen goed.

  2. Ik vind Sjoerd de Jong net heel goed. Eén van de beste dichtbundels van het afgelopen jaar. Grappig, origineel en verfrissend. Nu smaken verschillen soms nogal eens, hè: http://peterwullen.blogspot.com/2011/05/stairway-to-heidegger-van-sjoerd-de.html