Luuk Gruwez. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges

 

Luuk Gruwez besprak de verzamelde gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges in een vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

NOG BEN IK, HOEWEL GEDEELTELIJK, BORGES

Vanaf de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw verwierf de reputatie van de Argentijn Jorge Luis Borges iets pontificaals, iets onbetwijfelbaars, hoewel het Nobelprijscomité jaar na jaar aan hem voorbijging. Inmiddels is die glorieperiode enigszins voorbij. Toch bewijst de editie van zijn verzamelde gedichten, vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, dat hij met name in zijn hoedanigheid van dichter een van de indrukwekkendste schrijvers van zijn eeuw is geweest. Merkwaardig, omdat hij zijn allerbeste poëzie pas na zijn zestigste heeft geschreven, nadat hij als dichter al dertig jaar had gezwegen. Hij was toen al goeddeels blind, maar beschikte kennelijk over iets als een klare inwendige blik.

Borges is de dichter van de denkbeeldigheid. Hij is de man van de mogelijkheden, van wat hij zelf ‘things that might have been’ noemt. In zijn werk kent hij aan de droom een onschatbaar belang toe. Eén gedicht van zijn hand gaat over een man die het nogal megalomane plan opvat het heelal in letters te vatten en die, wanneer hij meent dat hij zijn taak heeft volbracht, omhoogkijkt en tot zijn schrik merkt dat hij domweg de maan over het hoofd heeft gezien.  Deze geschiedenis confronteert Borges met de vele hindernissen die zich voordoen voor wie de werkelijkheid in woorden wil vatten.

Allicht hebben enkele feiten sterk bijgedragen tot de incubatie van zijn schrijverschap. In Buenos Aires, zijn geboortestad, openbaarden zich twee totaal verschillende werelden aan hem: enerzijds de bibliotheek van zijn vader en anderzijds Palermo, wijk van messentrekkers. Daar is het dat hij het belang van moed begint in te zien. In zijn gedichten krijgen dappere militairen en vrijheidsstrijders uit zijn voorgeslacht een eminente rol. In hun voetsporen, beseft hij, zal hij nooit kunnen treden. Op school wordt hij gepest. Zijn vader, daarvan op de hoogte, voegt hem toe: ‘Laat ze weten dat je een man bent.’ De moed die hij gaat aankleven is evenwel van alternatieve aard: het is maar een literaire poging die het in zijn ogen niet kan halen van de moed omwille van de moed die van de messenvechters afstraalt.

Een van mijn lievelingsgedichten van Borges heet ‘Wroeging’. Het handelt over de discrepantie tussen leven en kunst. De dichter beseft tegen het eind van zijn bestaan dat hij te veel oog heeft gehad voor dat laatste en te weinig voor het leven dat hij als een cadeau van zijn ouders heeft meegekregen met de expliciete opdracht gelukkig te zijn. Borges realiseert zich maar al te goed dat zijn schrijven nooit zal kunnen opwegen tegen het leven. Ook al ontpopt hij zich als een auteur met een nauwelijks evenaarbare eruditie. Ook al probeert de blinde bibliothecaris die hij is met elk boek van zijn bibliotheek en met elk woord dat hij schrijft een gelukzalig paradijs te creëren. Tot dat andere paradijs, dat van het leven, krijgt hij maar geen toegang. Hij vindt dan ook dat hij het geschenk van het leven niet op de juiste manier gevalideerd heeft: ‘Ik heb de grootste van de zonden die er zijn/ bedreven. Ik was niet gelukkig.’

Toch rest hem niets anders dan een geslaagd schrijver te zijn ter compensatie van het feit dat hij een beschadigd mens is. Hij moet de vergetelheid – een van de sleutelwoorden in zijn oeuvre – te lijf, maar heeft daar onvoldoende wapens voor. Want ook dit is hier een van de klassieke thema’s: de spanning tussen eeuwigheid en vergetelheid. Wil hij overigens wel het gevecht met die laatste aanbinden? Hij schrijft namelijk ook dit: ‘Laat ons dankbaar zijn/ voor de vergetelheid en voor de wormen.’ Anderzijds blijkt hij tegen het eind van zijn leven te geloven dat alles eeuwig is. ‘Hoe kan een vrouw of een man of een kind sterven, die zoveel lentes en zoveel bladeren is geweest, zoveel boeken en zoveel vogels en zoveel ochtenden en nachten,’ schrijft hij in een prozagedicht voor een vriend. En verder: ‘(…) ik weet dat er op aarde niet één ding is dat sterfelijk is en niet zijn schaduw werpt. Vannacht heb jij, Abramowicz, gezegd dat wij de dood in moeten gaan als iemand die naar een feest gaat.’

Borges bedient zich in ‘Alle gedichten’ van een heel disparaat arsenaal: zowel vormvaste gedichten als breed uitdijende verzen krijgen een kans. Een speciale plaats is er in zijn oeuvre ingeruimd voor de milonga, zeg maar een zang die aan de basis van de tango heeft gelegen. Daarnaast verplaatst hij zich moeiteloos van de ene cultuur naar de andere en is hij bijzonder topografisch geïnspireerd. Aan talloze landen, streken, steden en dorpen wijdt hij een eloge, niet het minst aan Buenos Aires: een stad die voortdurend herkenning, maar in toenemende mate ook vervreemding oproept. Een plek die balanceert op de rand van bestaan en onbestaan, eigenlijk net als de dichter zelf, die zich afvraagt of de werkelijkheid geen schijn is en of dit mutatis mutandis ook niet geldt voor zijn eigen ik. ‘Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges,’ stond in zijn prozaboek ‘De Zahir’ al te lezen. Al is dit niet voldoende, de dichter leeft in een bestaan dat noch min noch meer uit de hele cultuurgeschiedenis is opgetrokken.

Niet voor niets stelt hij zich het paradijs voor als een bibliotheek. ‘Na al die jaren,’ schrijft hij geheel terecht, ‘heb ik begrepen dat het mij niet gegeven is de magische cadans, de opmerkelijke metafoor, het tussenwerpsel, een goed opgebouwd boek of een werk van lange adem te beproeven. Mijn lot is de zogenaamde intellectuele poëzie.’ Toch affirmeert hij op zijn zeventigste voor de zoveelste keer dat hij niet over een esthetica beschikt. Elk onderwerp vereist zijn eigen esthetiek.

Hoewel ik doorgaans vind dat een dichter niet is gebaat bij iets als een exhaustieve verzameling van zijn gedichten, misschien zelfs een reus als Borges niet, kan ik voor het minutieuze werk van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer alleen maar mijn hoed afnemen. Ook zij hebben zich hiermee op titanenhoogte gehesen.

____________________________

JORGE LUIS BORGES

Alle gedichten

vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer

De Bezige Bij, 59,90 euro

 

WROEGING

 

Ik heb de grootste van de zonden die er zijn

bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen

de gletsjers van het vergeten mij het ravijn

in sleuren, wissen, zonder mededogen.

Mijn ouders maakten mij voor het geduchte

maar wonderschone spel van het bestaan,

voor de aarde, het water, voor het vuur, de lucht.

Ik stelde hen teleur. Ik voldeed niet aan

hun jonge wil. Ik heb alleen geleefd

voor koppige symmetrieën van de kunst

die onbeduidendheden samenweeft.

Zij gaven me de moed. Ik heb die gunst

versmaad. Dit achtervolgt mij nog het meest:

ik ben een ongelukkig mens geweest.

 

Jorge Luis Borges

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Luuk Gruwez. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges”

  1. Pieter Wolmarans :

    Net so ‘n aangrypende vers, Luuk. So eenvoudig, en tog ook so skrikwekkend kompleks. Hemel, watter vreugde is hierdie webblad nie!