Chris Coolsma. De vader maar eerst de moeder

Dag lezer, die het geduld heeft opgebracht om te wachten tot ik me weer meldde. Dag lezer die me nog nooit las, maar hier toevallig terechtkwam. Lang heb ik gezwegen. De adem is lange tijd uit mij geslagen door het geweld van het dagelijks leven.

Al een paar maanden draal ik rond op een tweesprong. Wat gaan we doen met de rest van ons leven? Is er al een naam voor deze crisis? Is dit het veelbesproken zwarte gat van de pas gepensioneerde? Veel zwart zag ik nog niet. Wel om me heen, de kleuren bruin en zwart dringen zich op als ik naar de politieke ontwikkelingen kijk. Maar ikzelf sta op een drukke veelsprong, met wenkende perspectieven naar alle kanten. Keuzeverwarring.  Je kent het wel, dan verval je vaak in licht verteerbaar vermaak. Vroeger las ik stripverhalen als ik in zo’n wachtkamer in de tijd was terechtgekomen. Kuifje. Kapitein Rob. Tegenwoordig speel ik spelletjes op mijn iPad. In mij twijfelen de luipaarden tussen lui en paard. Ook ga ik opruimen – eindelijk duizenden berichten weggooien en bestanden wissen waar ik toch nooit meer iets mee zal doen. Ik ben zo iemand waar niemand ooit een boek aan zal wijden. Te gelukkig, te weinig weerstand ondervonden, te weinig grote fouten gemaakt, geen misdaden begaan, geen onverwachte verliezen geleden. Geen oorlog meegemaakt. Geen hemelbestormende ideeën ontwikkeld. Geen alles wegvagende drang tot scheppen of vernietigen. Door en door onavontuurlijk, burgerlijk, gewetensvol en braaf.

En kijk, bij het opruimen kwam ik twee gedichten tegen over mijn vader, uit 1998, zeven jaar na zijn dood. Het zijn geen goede gedichten. De herinneringen aan mijn vader en de gevoelens die daarbij horen, waren te groot voor mijn vermogen om te schrijven. Dat is niet veranderd. Er is genoeg materiaal, er zijn genoeg beelden. Er zijn ruimschoots voldoende tegenstrijdige emoties. Er zijn bewondering, ontzag, liefde, verontwaardiging, verbijstering, weemoed, verlangen om hem terug te zien, dankbaarheid en verwijt. Er zijn geuren van warme paraffine, smeulend hout, bijtende ammoniak, verraderlijke tri, smeltende schellak, misselijkmakende plasticine, kokende slijppasta in een pannetje op het gas, lieflijk geurend perenhout, verbrande smeerolie, rokende soldeertin en zachtstinkendtappenvet op het bruinzwarte wikkelgaren. Er zijn geluiden van gierende zagen, krijsende boren, happende ruimers en steekbeitels, schrapende messen, dreunende en zoemende elektromotoren, het gecompliceerde geluid van de profielbeitels, stampen van de nietmachine en bovenal het stemwijsje dat hij zelf had bedacht, om alle kritische tonen van zijn blokfluiten te kunnen testen. En ja, hij was wel avontuurlijk, zonder twijfel dapper, niet braaf, soms niet zo heel gewetensvol, werd gevormd door de oorlog die voor zijn ogen uitbrak met een brandend Rotterdam. Hij werkte zijn hele leven aan zijn droom, die in de bittere werkelijkheid uit sloven en zwoegen bestond.

Toch moet ik op een dag dat gedicht voor hem schrijven. Het zal over zijn handen gaan. Sterke handen, eeltig en vol littekens van beitels, vijlen en mesjes. Handen die konden slaan, en soms sloegen. Aan de ene hand een zegelring met zijn initialen verstrengeld gegraveerd. HC. Aan de andere hand een patserige witgouden ring met een briljant. Alle vingers van de handen behaard. Vette aderen. En, meest vertederend detail van al: met een zakschaartje uit een etui in punten geknipte nagels. Het zal ook gaan over het bakelieten buisje mercurochroom, dat ik op een nacht vond, toen ik in het huis ronddwaalde, waar ik hem kort tevoren gevonden had.

Nu doe ik toch weer een beroep op Billy Collins. Drie van zijn gedichten gaan over zijn moeder. Die vader moet maar even wachten. Ik ben er nog niet klaar mee. Mijn moeder overleed toen ze met mijn oudste zuster op weg was naar de bushalte. Ze riep ‘Marion!’ en viel neer. Ik weet niet hoe ze viel, maar ze was onbeschadigd in haar dood. Ze was op haar doodsbed de mooiste dode oude vrouw die ik ooit heb gezien.  Voor haar zijn nu deze twee vertalingen, maar ook voor jou, lezer. Ze gaan over de onvervulbare schuld aan de moeder, en over verlangen naar de overleden moeder.  

 

Het fluitkoord

 

Laatst ketste ik langzaam

tegen de bleke wanden van deze kamer,

stuiterend van schrijfmachine naar piano,

van een boekenplank naar een enveloppe

die op de grond lag.

Ik vond mezelf terug bij de F in het woordenboek

waar mijn ogen op het woord fluitkoord vielen.

 

Geen koekje, geknabbeld door een Franse romancier

kon iemand zo plotseling naar het verleden zenden –

een verleden waarin ik aan een werkbank in een kamp zat

bij een diep meer in de Adirondacks

lerend hoe ik dunne plastic repen

tot een fluitkoord moest vlechten, als gift voor mijn moeder.

 

Ik had nooit iemand een fluitkoord zien gebruiken

of zien dragen, als dat was wat je ermee deed,

maar dat weerhield me niet van het kruisen

van reep over reep, steeds opnieuw

tot ik een hoekig

roodwit fluitkoord had gemaakt voor mijn moeder.

 

Ze gaf mij leven en melk uit haar borsten,

en ik gaf haar een fluitkoord.

Ze verpleegde me in menige ziekenkamer,

bracht theelepels met medicijn naar mijn lippen,

legde koude washandjes op mijn voorhoofd,

waarna ze me in de lichte buitenlucht bracht

en me leerde lopen en zwemmen,

en ik, op mijn beurt, gaf haar een fluitkoord.

Hier zijn duizenden maaltijden, zei ze,

en hier zijn kleren en een goede opvoeding.

En hier is jouw fluitkoord, antwoordde ik,

ik maakte het met wat hulp van een kampleidster.

 

Hier zijn een ademend lichaam en een bonkend hart,

sterke benen, beenderen en tanden,

en twee scherpe ogen om de wereld te lezen, fluisterde ze,

en hier, zei ik, is het fluitkoord dat ik in het kamp maakte.

En hier, zou ik nu tegen haar willen zeggen,

is een kleinere gift – niet de archaïsche waarheid

 

dat je nooit je moeder kunt terugbetalen,

maar de berouwvolle bekentenis dat ik zo zeker was

als een jongetje maar kon zijn dat,

toen ze het tweekleurige fluitkoord van me aannam, 

dit nutteloze, waardeloze ding dat ik vlocht

uit verveling,  genoeg zou zijn voor  vereffening.

 

 

De ijzeren brug 

 

 

Ik sta op een in onbruik geraakte brug

gebouwd in 1902

volgens de ijzeren plaat, vastgeschroefd aan een stijl,

het jaar waarin mijn moeder een jaar werd.

Stel je voor – een moeder als zuigeling,

en ze was ook nog een Canadese zuigeling,

een van de geweldige zuigelingen van de provincie Ontario.

 

Maar ik leun op de roestige leuning hier

en kijk naar het water onder me,

dat vanmorgen vlak is en weerspiegelt,

hemelsblauw met strepen van hoge wolken,

en hoe meer ik naar het water kijk,

dat als een pratend portret is,

hoe meer ik denk over 1902

toen arbeiders met hemden en petten

deze brug in elkaar schroefden

over een smal kanaal tussen twee meren

waar wilde bloemen nu exploderen langs de oever

en paren zwanen drijven in de lommerrijke kreken.

1902 – mijn moeder was zo klein

dat ze gepast zou hebben in een van die ovalen

manden om appels in te bewaren,

die haar moeder zou hebben bekleed met een zachte doek

en op de keukentafel had gezet

zodat ze een oogje kon houden op zuigeling Katherine

terwijl ze aardappelen schrapte of een zak erwten dopte,

zoals ik een oogje houd op die aalscholver

die het glasachtig oppervlak net gebroken heeft

en wegzwemt van mij en de brug,

zijn nieuwsgierige kop wendend en kerend,

stilletjes wegvliegend naar waar de zon het water aanraakt

gefilterd door de bomen die de oever bevolken.

 

En nu duikt hij,

verdwijnt onder het oppervlak,

en terwijl ik wacht tot hij tevoorschijn komt,

stel ik me voor hoe hij onder water vliegt met zijn vreemde vleugels,

 

zoals ik me jou voorstel, mijn kleine moeder,

die vorig jaar verdween,

ergens vliegend met je vreemde vleugels,

je wijdopen ogen, en je zware natte jurk,

dieper wegpeddelend in een meer

zonder doel of naam, een of ander grenzeloos buitengewest van water.

 

 

 

Bookmark and Share

5 Kommentare op “Chris Coolsma. De vader maar eerst de moeder”

  1. Marlise Joubert :

    Chris – hier uit Roodepoort waar ek by kleinseun kuier vir ‘n week, net gou ‘n skakel wat iemand my aangestuur het en waarna jy tog moet luister – ‘n driejarige wat ‘n gedig van Billy Collins volledig resiteer!
    http://www.wbez.org/blog/mission-amy-kr/2011-11-30/thursday-thingy-best-thing-universe-all-time-everor-least-pretty-clos

  2. Wysneus :

    Dis mooi, Marlise, maar wat beteken dit?

  3. Chris Coolsma :

    Wat beteken wat, Wysneus? Die skakel, die fliek, die gedig, die driejarige die ‘n gedig volledig resiteer?

  4. Wysneus :

    “Dit” is my vraag.

    Ernstig nou: Ek wonder wat die Billy Collins gedig beteken want eers dan kan mens oordeel of dit gepas vir ‘n drie-jarige is.

    Is dit bloot ‘n parodie van liefdesgedigte, of sê dit ook iets oor seks en/of geloof?

  5. Chris Coolsma :

    Vir my is ‘Litany’ nie gepas vir ‘n drie-jarige nie. Ek hou ook nie baie van gedresseer van drie-jarige. Ek vind die vertoning ‘n parodie van die poesie. Dit laat my dink aan gedresseerde diere, die mense naboots.