Janita Monna. Subtiele melodietjes

 

Judith Herzberg – Klaagliedjes

 

Alweer veertig jaar geleden maakte Judith Herzberg een bewerking van het Hooglied; de Bijbelse liefdeslyriek hertaalde ze in 27 Liefdesliedjes. Het werden gedichten die bijna zwevend van verliefdheid over de pagina’s trippelden, gedichten die ook nu nog nergens gedateerd aandoen.

De Klaagliedjes die onlangs van Judith Herzberg verschenen, roepen in titel – en ook in uiterlijk van de bundel – meteen die liefdesliedjes in herinnering. De gedichten werden geschreven op verzoek van componist Boudewijn Tarenskeen, en zullen gezongen gaan worden.

Maar anders dan bij het Hooglied, zijn de Klaagliedjes geen vertaling van de Bijbelse ‘Klaagliederen’. In dit Bijbelboek, toegeschreven aan de profeet Jeremia, wordt de verwoesting van Jeruzalem beweeklaagd. In de eerste regels wordt de stad voorgesteld als een weduwe. Die metafoor leverde het idee voor de liedjes, want Herzberg keerde de vergelijking om: nu geen stad in de hoofdrol, maar een vrouw, een weduwe. ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht/ en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ De Klaagliedjes zijn gedichten over rouw, en de metafoor van de rouwende vrouw als ruïne houdt de dichter eenendertig gedichten lang vol.

Er rijst een beeld op van een vrouw, en van het leven en huwelijk dat zij had. Een gelukkig huwelijk, zo lijkt het, als je regels als deze leest:

 

Krankzinnige ideeën die we vroeger hadden

over later.

Beloven deden we en daarin geloven!

Nooit en voor eeuwig en altijd

elkanders hoofdpersoon!

En wie het na de dood van zijn man heeft over darmen als ‘ingeklonken klei’ in zijn lijf, die voelt een groot en zwaar verdriet, dat zich uitsluitend in een nieuwe taal beschrijven laat. De vergruizelde stad, ‘puinhopen hoog als bergen’, is in de verwoording van het gevoel van gemis en ontheemding een bijna voor de hand liggende, en daarom zo rake metafoor.

Maar ondanks dat gemis, is het beeld van de gestorven man dat uit de Klaagliedjes opstijgt nauwelijks eenduidig: een vroegere gierigaard, die in een later leven geld verdiende als water maar niet helemaal fris was. Het is zelfs de vraag of zijn dood wel zo vreedzaam was: ‘Ik vond hem/ in zijn bloed/ vingers vol gouden/ ringen. Poep/ in zijn broek.’

Anders dan in de ‘Klaagliederen’ wordt er geen God of Heer als schuldige of veroorzaker van leed aangewezen. Ook is er geen trooster; zo er al sprake is van een God, dan van meer dan een. En waar de Bijbelse tekst donker eindigt, klinkt het verlangen naar de gestorvene waar Herzberg mee eindigt hoopvoller. De liefde blijft, ook door de dood heen.

In de Klaagliedjes staan gedichten waarbij je al lezend ongemerkt bijna een melodietje zit te neuriën. Een droeve regel als ‘Een huis hoort te zingen/ maar ons huis zwijgt’ kan zomaar dagen in je hoofd zitten. Een lied stelt andere eisen aan een tekst dan een gedicht dat louter – of hoofdzakelijk – voor papier is bedoeld. Herzberg heeft voor vele genres, lied, toneel, gedicht, vertaling, een uitzonderlijke en scherpzinnige gave. Haar taal laat ruimte voor muziek en is niet volgeladen met metaforen of zinswendingen waarbij een toehoorder in een zaal het spoor bijster zou kunnen raken.

Toch missen de Klaagliedjes op papier een zekere soliditeit, ze zijn soms wat dun: ‘Hoeveel is een biljoen?/ Hij legde uit:/ in honderd dollar briefjes,/ die, op elkaar gelegd,/ dan wordt die stapel dertig/ kilometer hoog.’ Het is overigens een van de weinige keren dat de tekst ritmisch niet helemaal lekker loopt.

Herzbergs Liefdesliedjes zijn nog altijd geen spat verouderd. Haar heldere taal is bestand tegen tijd, trekt zich niets aan van modes of gewilde thema’s. Verouderen zullen daarom ook de Klaagliedjes niet snel. Maar voor een klassieke status, zoals de Hoogliedbewerking die heeft, schiet de bundel uiteindelijk tekort. De Bijbelse ‘Klaagliederen’ werden eerder getoonzet. Ik kijk uit naar de muziek van Tarenskeen. Want liedjes moet je niet alleen lezen, die moet je ook horen.

Het zal nog jaren duren

voor straten,

pleinen, boulevards

weer geplaveid zijn.

 

En wij, in licht katoen en

zijden kleren, weet je nog

zeg ik steeds vergeefs

weet je nog?

 

Flirtend flanerend

glanzend bloot

onder licht wapperende

kimono’s gebloemd

camparirood?

 

Judith Herzberg – Klaagliedjes. De Harmonie, 15,90 euro, 40 pagina’s, ISBN 978 90 6169 994 1

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.