Yves T’Sjoen. In memoriam J.C. Kannemeyer

JC Kannemeyer

JC Kannemeyer

Vanochtend vernam ik in de online-editie van de Kaapse krant Die Burger het plotse overlijden van John Christoffel Kannemeyer (1939-2011). Een van de lezers maakte naar aanleiding van het bericht ophef over het ontbreken van bio- en bibliografische referenties over dit monument van de Afrikaanse literatuurstudie. In de namiddag heeft de krant het jammerlijke euvel verholpen (zie onderaan deze bijdrage).

Prof. Kannemeyer ken ik niet alleen van het volhardend biografisch onderzoek dat heeft geresulteerd in veelal vuistdikke, niet minder dan exhaustief opgevatte levensgeschiedenissen van gecanoniseerde Zuid-Afrikaanse schrijvers zoals Blum, Krige, Langenhoven, Leipoldt, Leroux, Opperman en Rabie. D.J. Opperman,  hoogleraar Afrikaans en Nederlands verbonden aan de Universiteit van Stellenbosch, was destijds de organisator van het zogeheten ‘poëzielaboratorium’ in de Eikenstad, naar verluidt een stimulerende omgeving waar dichters als Lina Spies, Antjie Krog en ook Joan Hambidge in de leer zijn gegaan. Opperman was daarnaast de leermeester en promotor van de energieke promovendus Kannemeyer. Mijn verbazing was niet gering toen ik in de onvolprezen boekhandel Protea van Marlise Joubert en Louis Esterhuizen jaren na elkaar, telkens bij een bezoek aan de US, een nieuwe biografische publicatie van de hand van Kannemeyer mocht ontdekken. Biografieën waren voor Kannemeyer geen terloopse monografische studies, academische bijproducten, maar buitenissig gedocumenteerde levensverhalen die bij voorkeur ook als tijdsdocument kunnen worden gelezen. Bekend en lange tijd beeldbepalend voor de studie van auteurs en teksten is zijn vaak geciteerde, tweedelige overzicht van de Afrikaanse literatuur, Geskiedenis van de Afrikaanse literatuur, dat op het eind van de jaren zeventig en – in een herziene uitgave – aan het begin van de jaren tachtig is gepubliceerd. Ofschoon het literatuurhistorische belang van Kannemeyers biografische studie niet kan worden overschat, alleen al gelet op alle citaties in belangrijke academische letterkundige bijdragen, vallen bij fragmentarische herlezing de vele apodictische uitspraken op. In de necrologie in Die Burger wordt Etienne Britz geciteerd, voormaiig onderzoeker aan de US, die destijds gewaagde van “dominerende, onredelike en selfs dekadente trekken” in diens discours. Dominant was Kannemeyer wel, zeer aanwezig op symposia en andere fora van het academische bedrijf. Over de andere typeringen kan ik me niet uitspreken.

“Dominerende trekken”, schreef Britz. Dat is ook de wijze waarop ik John Kannemeyer enkele keren, tijdens een colloquium in Stellenbosch en een werkwinkel in Bloemfontein, heb zien optreden. Het was niet bepaald zachtjes dat bij monde van Kannemeyer de Afrikaanse letteren knetterden. Wellicht is het beter te spreken van een onstuitbare spraakwaterval waarin de literaire anekdotes hilarisch, soms smeuïg in razende vaart over elkaar buitelden. Kannemeyers blik op de literatuur was nu eenmaal anekdotisch-biografisch, niet analytisch-hermeneutisch. Geregeld hoorde ik hem literaire teksten duiden vanuit het standpunt van de naar biografische realia speurende detective, zich op het eerste gezicht niet bewust en wellicht onachtzaam voor de valstrik van de ‘intentional fallacy’. Een discussie die ik met hem voerde over de vermeende plagiaataffaire Maeterlinck-Marais, naar aanleiding van de uitgave van David van Reybroucks debuutboek De plaag (2001), verzandde al gauw in een categorieke stellingname die bijgevolg geen tegenspraak duldde. De vondst en studie van bijdragen in Die huisgenoot hadden hem (stellig) overtuigd van het eigen gelijk en ondersteunden diens a-priori’s dat de Belgische Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck zonder scrupules leentje-buur had gespeeld met Marais’ (pseudo-)natuurwetenschappelijke analyses van de ziel van de aap en van de mier (meesterlijk vertolkt in Die siel van die mier, later door Van Reybrouck vertaald en op de planken gebracht).

Vanuit dat biografische en historiserend-contextualiserende perspectief kan het dan ook niet verbazen dat J.C. Kannemeyer zich jarenlang heeft verdiept in tal van schrijverscorrespondenties. De uitgave van de brieven tussen de broers N.P. van Wyk en W.E.G. Louw, verschenen als Ek ken jou goed genoeg… Die briefwisseling tussen N.P. van Wyk Louw en W.E.G. Louw 1936-1939 (Protea Boekhuis, Pretoria 2004), is op dat gebied een laatste memorabel wapenfeit. De uitgave van het boek heeft in Zuid-Afrika voor controverse gezorgd, met inbegrip van een rechtszaak die de nabestaanden van beide Dertigers tegen de geleerde hebben gevoerd. In de wandelgangen van het departement van de US heb ik het nog jaren horen gonzen van geruchten over die ophefmakende zaak.

Uiteraard kijk ik samen met u uit naar de biografie waaraan John Kannemeyer sinds 2008 werkte. Naar verluidt had hij op Kerstmis, de dag van zijn overlijden, het boek over het leven van de Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee voltooid. Het wordt naar mijn aanvoelen een typische Kannemeyer: een uitbundig geschreven narratief over de levensloop van een klassieker uit de Zuid-Afrikaanse letteren, waarbij alle literatuur in een weinig problematisch biografisch referentiekader wordt geplaatst.

Met het overlijden van professor Kannemeyer verdwijnt een monument van de studie van de Afrikaanse letterkunde. Alleen al vanwege de werkkracht benijd ik de academische onderzoeker die zo ongegeneerd en uitbundig wist te vertellen over zeden en gewoonten van schrijvers en hun uitgevers. Kannemeyer is een naam met onmiskenbaar uitstraling en gewicht in de literatuur van Zuid-Afrika. Op weg naar Clanwilliam en de betoverende bloemenvelden van Namakwaland, ergens op een idyllische plek in de buurt van het desolate graf van Louis C. Leipoldt dat zich in een spelonk van het Cedergebergte verschuilt, verbleef ik met enkele collega’s in Wuppertal, een voormalige Duitse zendelingenpost, echt wel in the middle of nowhere. In een klein gebouw van het kleine Wuppertal hing een citaat van de hand van Kannemeyer. Dat kon me op dat ogenblik, in september 2006, niet eens meer verbazen. Waar je ook gaat in de Kaap, ontmoet je die dekselse en wel eens balsturige Kannemeyer. Na zijn dood zal dat niet veranderen. Het is nu aan een volgende generatie de verhalen weer anders te vertellen. En vooral te onthouden wie deze verhalen het eerst heeft neergeschreven.

http://www.dieburger.com/Vermaak/Niemand-kon-so-hard-werk-soos-John-20111227

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Yves T’Sjoen. In memoriam J.C. Kannemeyer”

  1. Anita de Kock :

    Kannemeyer laat ‘n leemte in die Afrikaanse literatuur wat nooit weer dieselfde sal wees nie. Sy legendariese kennis en insig is vir altyd verlore.