Luuk Gruwez. Tussen broedplaats en bloedplek

DE SIRENE   In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Tussen broedplaats en bloedplek

Luuk Gruwez

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Een klein decennium geleden is het dat Paul Demets, gerenommeerd recensent bij onder meer De Morgen en Cobra.be, ook als dichter nog iets van zich heeft laten horen. Hij deed dit toen met de bundel ‘Vrees voor het bloemstuk’, die zoals gebruikelijk bij een bibliofiele editie minder aandacht kreeg dan ‘De papegaaienziekte’, zijn debuut van enkele jaren daarvoor. Nu ligt hier eindelijk een opvolger: ‘De bloedplek’. Die titel staat een meervoudige duiding toe. Hij verwijst uiteraard naar leven, meer specifiek naar het menselijk lichaam als een soort huis van vlees waardoor bloedbanen lopen. Maar tegelijk, kun je stellen, refereert hij meer specifiek aan wat daarin gehavend is, aan de plek van een bloeduitstorting, aan bloedverlies of bloedvergieten, bijvoorbeeld. Het is zeer de vraag of hier niet in even grote mate naar de dood als naar het leven wordt verwezen. De bloedplek, is dat niet ook een naam die je zou kunnen bedenken voor een slachtpartij of op zijn minst, bijvoorbeeld, voor een plek waar iemand gewond is geraakt? De gedichten die voor ons liggen en die ondanks hun woelige toon veelal keurig gekleed gaan in een maatpak van kwatrijnen, zijn verspreid over vier afgelijnde cycli die al deze interpretaties ruimhartig toestaan.

Bovendien genereert het woord ‘bloedplek’ vanwege de assonantie ook een associatie met ‘broedplek’. En dat brengt ons inderdaad bij de essentie van deze bundel: de broedplek, een plek waar geboren wordt, blijkt in hoge mate een bloedplek te zijn, een plek die het einde in zich draagt. Heel opvallend wordt dit in de laatste, allicht meest dramatische cyclus van de bundel waarin de hoofdrolspeler telkens weer met ‘het’ wordt aangeduid. Wat is ‘het’? Wat heeft dat zo frequent voorkomend persoonlijk voornaamwoord hier te betekenen? ‘Het’: dat is voor mij in de allereerste plaats de lichamelijke incarnatie van de dreiging. En vooral iets dat zelf ongrijpbaar is, maar je voortdurend in zijn greep houdt. Het gaat, geloof ik, om een verwikkeling in de zwangerschap die er verantwoordelijk voor is dat een kind in de moederschoot, waarvan je normaal gesproken zou denken dat het iets als blijde verwachting oproept, gelijktijdig paniek zaait en uiteraard buiten zijn wil om terreur uitoefent. ‘Het’: dat is een kind dat in totale disharmonie met zijn moeder op zijn geboorte wacht, een wezen dat nog niet ‘ik’ kan zeggen en het precies daardoor – vanwege zijn ongedefinieerdheid – zo angstwekkend voor het zeggen heeft. ‘Het’: dat is een soort geliefd en tegelijk verafschuwd ding dat zijn wetten oplegt aan diegenen die het nochtans alleen uit liefde hebben gemaakt.

Wanneer kan iemand ‘ik’ zeggen? Deze kwestie kaart Demets ons al vanaf de eerste cyclus  aan. Hier geen ‘het’ dat het hoge woord voert, maar een ‘hij’. Voor de omschrijving van diens identiteit wordt zelfs een soort dubbelganger ingeschakeld als levend bewijsstuk van het feit dat niemand zich los van zijn sociale omgeving op rechtmatige wijze ‘ik’ kan noemen. ‘We zijn / hem niet, maar kennen hem. Alleen zijn naam ontbreekt (…),’ schrijft Demets. En verder: ‘Een lichaam sjouwen, in andermans schoenen staan, / tassen zwaar. Het schudt ons duchtig door elkaar.’ De dichter laat zijn personage enigszins getormenteerd flaneren in een wereld die alle sporen vertoont van onze westerse habitat en zijn nood aan onmiddellijke bevrediging. Het decor is er een van supermarkten, kapsalons, fitnesscentra en wat dies meer zij.

Paul Demets schrijft gedichten over kamers in de hoop die vervolgens te kunnen stapelen tot een soort toverslot waarop de tijd geen vat meer krijgt. Plekken zijn overigens uiterst betekenisvol in zijn poëzie. Titels van gedichten en van cycli versterken die indruk. ‘Horst’, ‘perimeter’, ‘bloedplek’, ‘lounge’, ‘doka’, ‘huls’: het zijn maar enkele termen die op plaatsbegrenzing wijzen. Zij helpen de dichter tot een definitie te komen van het personage dat hij opvoert, dat misschien zijn alter ego is en blootgesteld is aan wat in de Griekse tragedie ‘sparagmos’ heet: de fase waarin de held ervaart hoe zijn persoonlijkheid desintegreert. Het is maar een kleine stap van ‘hij’ naar ‘ik’. Elk ‘hij’ is een ‘ik’ en iedereen is in zekere zin iedereens dubbelganger. Soms misschien zelfs de dubbelganger van zichzelf. (Maar uitgerekend de supermarkt of een andere gedepersonaliseerde plek van dat genre, waar iedere consument verwisselbaar lijkt, is dit wel in extreme mate.) De vraag die Demets zich stelt, klinkt in een motto uit ‘De dubbelganger’ van Dostojevski als volgt: ‘Nu, hij is net zo iemand als jij (…) Nou, wat is daar voor ergs aan?’ Niets allicht, behalve dat elk persoonlijk leed ook wereldleed is. Vandaar dat er zoveel fluïdum heerst in de poëzie van Demets. En daarmee bedoel ik niet enkel bloed: alles vloeit, op welke manier dan ook, in alles over. ‘Ginds is hier,’ lezen wij ergens. De dichter dreigt in al dat fluïdum te verdrinken, maar het is ook de brandstof van zijn leven. Hij weet dat elke geboorte ongeneeslijkheid impliceert, maar spreekt in zijn slotgedicht toch enige lenteachtige hoop uit: ‘Het kwam, / het komt terug. Het brengt ons dagelijks voort.’

Dit zijn gedichten over het lijf. Soms lijkt het of zij er een putsch op willen plegen, er de plaats van willen innemen omdat het zelf niet sterk genoeg is om zich te redden. Op andere momenten lijken zij zich er uit zelfbehoud van te willen distantiëren. Maar doorgaans vindt er een duel plaats tussen hen en wat het lichaam zoal bedreigt. Ook gaan zij – dat is het andere belangrijke thema – tekeer tegen de onmogelijkheid om voor jezelf een definitie van je identiteit te formuleren als je niet eens weet waar die van de ene begint en die van de andere eindigt. Zoveel is zeker: elke identiteit is er een in functie van een context.

Er is een donkere kamer in het leven van Paul Demets. Het gaat hem zowel om een concrete locatie als om een metafoor. Daar is het dat het belangrijkste gevecht zich afspeelt en waar de vraag wordt gesteld of uit de duisternis ooit licht zal ontstaan. Het is de context van een bedreigd bestaan die deze dichter ertoe dwingt te voorkomen dat wie hem lief is zichzelf kwijtraakt en verwordt tot een ding dat je met niets anders meer kunt aanduiden dan met het het onpersoonlijk voornaamwoord ‘het’. Met inzet van al zijn dichterlijke troeven moet hij de geschiedenis van het lichaam neer zien te schrijven. Gelukkig heeft hij er daar niet weinig van.

 

Doka

Het zand in je navel, een ijsje in je hand.

Smelt het, dan zand erover. Strand vlakt uit.

Je noemt de wind een val, blaast hem aan

bovenhuids. Uit de zee doemt mist die jou

 

inkuilt in een glazen kist. IJsbloem in de zomer.

Doorzichtig bijna achter een raam met leeftocht staan.

Het licht te doorwaden met een lens. Tintelingen

in een figuur. Slaap je uit, schrik ik

 

van water, verzonken in een opgelicht donker.

Zo kom je in beeld. Daarbinnen ga ik in jouw

zwijgen op. Je ligt glashard in je huid.

Wat nu aan het zicht benomen is, ruist

 

achter een gordijn. Is een hand die zich opent,

sluit in die van mij. Een hand die afdrukt.

 

Dat het uitlekt mijn hand te zijn.

 

 

                          Paul Demets

 

 

__________________________

PAUL DEMETS

De bloedplek

De Bezige Bij, 64 blz., 16,50 euro

 

AANTAL STERREN:

**** 

                                                                                     

Bookmark and Share

Comments are closed.