Luuk Gruwez. Leegte lacht, maar wie nog? (Tonnus Oosterhoff)

DE SIRENE – In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

LEEGTE LACHT, MAAR WIE NOG?

Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff

Dat Tonnus Oosterhoff onlangs voor zijn hele oeuvre met de P.C. Hooftprijs werd bekroond, is niet bij iedereen in goede aarde gevallen. Onder meer Benno Barnard fulmineerde tegen diens ‘ontregelpoëzie’, ‘een genre heel geschikt voor eunuchen, fijnproevers en ontmande geleerden die de potentaat Vernieuwing vleien, uit vrees anders te worden opgesloten in de burgerlijke gevangenis van hun ware smaak.’ Eerst vond ook ik ‘Leegte lacht’, Oosterhoffs nieuwste,  maar een zootje. Het probleem met deze gedichten is dat zij minstens bij een eerste lectuur nauwelijks een ander thema dan de ontregeling lijken te hebben. Ze wekken de indruk zich op niets anders dan hun eigen vorm te beraden. Daardoor lijken zij soms aan zelfoverschatting te lijden: kijk eens hoe belangrijk wij zijn, wij zijn namelijk poëzie.

Bovendien heeft Oosterhoff her en der de neiging zich over te geven aan flauwe woordspelletjes, ook al legt hij het eropaan clichés juist te dynamiteren, bijvoorbeeld in regels als deze: ‘”Als ik me niets herinnerde, dan was ik er niet,”/ beweer ik. Maar het is meteen wartaal./ “Zolang iemand aan je denkt ben je nog niet gestorven.”/ Ook wartaal, net als:/ “Als je de enige persoon op de wereld was, dan was je geen mens.”‘ Wartaal: Oosterhoff gooit een verwijt dat hem weleens gemaakt wordt zelf als een knuppel in het hoenderhok. Hij is voldoende lucide om te beseffen dat hij met zijn soort poëzie een geïsoleerde positie betrekt. Zijn eigen ‘wartaal’ is namelijk maar die van een handvol gelijkgestemden: ‘Je twaalf lezers, je veertien belachelijke lezers./ Ze zijn als jij. Als jij…wilt? Nee, als jij. Dienen voor / niets deugen; ze stemmen met je in/ als je zingt in de lege kerk, (…).’ De hier apert ontregelde syntaxis illustreert al dat hij zich in zijn gedichten van het doordeweekse taalgebruik distantieert door er – paradoxaal genoeg – gebruik van te maken. En hij neemt zichzelf misschien wel in de maling wanneer hij dit schrijft: ‘Omdat niemand luistert meen jij dat je respect verdient.’

In de werftekst van zijn uitgever lees ik over deze bundel dat er niet één regel is die de lezer koud laat. Dat lijkt mij, in het licht van het geringe aantal belangstellenden waarin de dichter zich mag verheugen, lichtelijk overdreven. Die doorsnee lezer wil, jammer of niet, altijd wel een ietsje meer dan wat hoofdzakelijk in ontregeling grossiert. Gaat deze poëzie dan werkelijk nergens over? Toch niet. Akkoord, sommige gedichten lijken te gratuit. Andere, daarentegen, bewijzen dat zij nu net over wezenlijke zaken gaan als de relatie tussen het individu en zijn biotoop. Plaatsbepaling en identiteitsomschrijving: daar is het de meeste moderne poëzie toch om te doen? Oosterhoff fixeert zich in minstens één gedicht, namelijk in ‘Activiteiten en records’, op de prestatiedwang waarmee haast elk individu zijn bestaan probeert te legitimeren. Hij bezint zich over een maatschappij die haar waardering uitsluitend reserveert voor die enige daad die het onthouden waard is. Er is in de wereld namelijk maar plaats voor één persoon: de recordhouder.

Vanuit het besef dat wij allemaal voorbestemd zijn om ooit een lijk te worden – getuige daarvan het slotgedicht van de bundel – revolteert Oosterhoff hiertegen. Hij zet de wereld van de belachelijke superlatieven te kijk, zet zich verbolgen af tegen de alomtegenwoordige, maar domme sociale conventies. Het slotgedicht, dat ‘Avond achter in de lijkentuin’ heet, bevat deze evidentie: elk streven is ijdel en in confrontatie met de extreme prestatiegerichtheid die de maatschappij domineert, wordt op het knekelveld uiteindelijk bewezen dat wij ons tevergeefs hebben uitgesloofd. Erg curatief zijn deze verzen dus bepaald niet, maar dat hoeft uiteraard allerminst. Oosterhoff omschrijft de dichter als ‘de ongeneeslijke genezer, die niet geneest.’ Veeleer wil hij een heel eigen balorige melodie ontwikkelen waarmee hij een kwaadaardig raderwerk ontrafelt dat niemand, ook hijzelf, niet meer in mekaar wil of kan zetten. Zijn doel is subversief: door te laten horen wil hij laten zien. Of beter: laten ‘inzien’ en wel op een manier die aan de gewone rationaliteit ontsnapt. Die bedoeling is net zo goed van toepassing op zijn eigen taal. Een belangrijk statement is dit: ‘Wartaal is waarheid, wie kijk je aan?’ Is het Oosterhoff uiteindelijk niet hierom te doen: om die verdomde waarheid?

Wat deze dichter ook ondergraaft, is de existentiële vergissing van mensen die menen dat zij het hier kunnen rooien als zij zich maar kunnen behelpen met anderen: ‘Zolang we mekaar hebben zijn we niet ziek.’ De dichter heeft daar zo zijn bedenkingen bij. Hij schetst een sarcastisch, om niet te zeggen ‘vileinig’ portret van zijn collega-dichter Frans Budé die zich bekwaamt in filantropie en behulpzaamheid. Hij maakt zich vrolijk over hem als redder van de mensheid. Maar, zo kun je je afvragen, is het niet erger het tegenovergestelde te moeten signaleren: het pure cynisme dat bij een politicus als de heer Leegte van de VVD onderdak vindt, de man die overigens het motto van deze bundel levert, zo uit de krant Trouw overgenomen? De heer Leegte lacht bij de vraag van de journalist of ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aankunnen. Zijn antwoord: ‘Dat wordt een beetje sciencefiction.’ Leegte hoort niet te lachen, maar hij doet het wel. Om heel andere redenen dan Frans Budé wordt hij aldus over de hekel gehaald. Zijn omineuze naam is voor de dichter aardig meegenomen. Met de gepersonifieerde lachende leegte verwijst hij misschien wel naar het lot dat geen enkele empathie voor mensen heeft, maar kennelijk veel lol aan ze beleeft, lol die aan sadisme grenst. Niet alleen mensen genieten Oosterhoffs aandacht. Ook dieren komen voornamelijk in de eerste gedichten van deze bundel veelvuldig voor: een aapje, een poes, een labrador, een oorlogspaard, een vis, enz. En geen mens is het gegeven te ontsnappen aan zijn biologisch determinisme. Ook hij behoort nadrukkelijk tot de fauna, zij het dat hij ‘een lief oververtegenwoordigd dier’ wordt genoemd. Heel veel verschil ressorteert diens bestaan dus geenszins: ‘Met ons niet hier zal er niet minder verwoestende schoonheid zijn.’ 

Het mag duidelijk zijn dat deze dichter weerspannige verzen schrijft waarin hij sputtert tegen alles wat hem niet zint. Dit gesputter doet sommigen gewagen van een ‘vernieuwende toon’. Maar of zijn woorden hol of vol klinken, is misschien wel minder afhankelijk van hun galm dan van de oren die hen beluisteren. Mij lijkt de vereenzelviging van vernieuwing met verwarring als poëtische doelstelling soms een iets te eenzijdige parameter om de ware omvang van een dichterschap te bepalen. Maar zijn volgehouden eigenzinnigheid dwingt alleszins respect af. 

Larissa vraagt: ‘Waar woon je?’

Larissa vraagt waar ik woon.

Ze vraagt of ik in de Maasstad woon.

Ik antwoord niet maar doe de oefening.

Ze vraagt: ‘Waarom antwoord je niet?’

Ze vraagt waarom ik niet antwoord.

‘Omdat ik de oefening doe,’ antwoord ik niet.

Ik antwoord niet omdat ik de oefening doe.

 

(Tonnus Oosterhoff)

 

– Luuk Gruwez –

____________________

TONNUS OOSTERHOFF

Leegte lacht

De Bezige Bij, 59 blz., 17,50 euro

 

AANTAL STERREN:

***

Bookmark and Share

Comments are closed.