Yves T’Sjoen. De bloedplek van Paul Demets

Herman de Coninck poëzieprijs

Herman de Coninck poëzieprijs

De literaire prijs met de naam van de dichter en criticus Herman de Coninck (1944-1997) bekroont jaarlijks “de beste oorspronkelijk Nederlandstalige dichtbundel van een Vlaamse dichter”. Vandaag raakte bekend dat de Vlaamse dichter en poëziecriticus Paul Demets de prijs ontvangt voor zijn bundel De bloedplek (2011). (zie: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/cultuur%2Ben%2Bmedia/kunsten/120124_HDCprijs).

Ruim een decennium geleden is De papegaaienziekte, de veelbesproken debuutbundel van Paul Demets, bij Meulenhoff/Kritak verschenen en het is ook alweer negen jaar dat de bibliofiele sonnettenreeks Vrees voor het bloemstuk in het fonds van Johan Velters éénmansonderneming DRUKsel is opgenomen. Het was al lang uitkijken naar een tweede bundel van de dichter Paul Demets. De afgelopen jaren kon de belangstellende lezer de toonzetting van Demets’ jongste dichtwerk De bloedplek al op diverse plekken beluisteren. Er verschenen versies van gedichten in Het liegend konijn en Revolver. Deze prepublicaties consoneren niet alleen met vroeger werk, er spreekt ook een opmerkelijke thematische continuïteit in Demets’ poëzieproductie. Ik doel dan op een zelfverklaarde fascinatie voor het lichaam en voor menselijke relaties.

De bloedplek (2011)

De bloedplek (2011)

Naar aanleiding van de presentatie van de bundel in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde heb ik enkele verkennende beschouwingen geformuleerd. Ik opteerde ervoor aanzetten voor een paratekstuele lezing te presenteren die de bundel van Demets in het fonds van De Bezige Bij in een specifiek daglicht stellen. Nog voor een lezer toekomt aan de lectuur van een literaire tekst, is er de onvermijdelijke en nimmer neutrale confrontatie met de wijze waarop de auteur, al dan niet in samenspraak met diens redacteur, de tekst in scène heeft gezet. Tot de paratekstuele of semantische indicatoren, of de lezingsturende parafernalia, kunnen de keuze voor een cover, de achterplattekst, opdracht en motto’s, afdelingstitels en titels van gedichten worden gerekend. Ik overloop vanuit die optiek drie aandachtspunten die mijns inziens kunnen bijdragen tot betekenisgeving van De bloedplek. In de recensies die Demets’ bundel de afgelopen maanden in Nederlandse en Vlaamse dag- en weekbladen en in periodieken als Awater zijn te beurt gevallen, is daar nog maar weinig op gewezen.

1.

Wat opvalt bij een eerste aanblik van Demets’ boekuitgave, en dat is niet anders voor andere boeken, is de titel op het omslag. De bloedrood gezette, elkaar rakende kapitalen van ‘De bloedplek’, tegen een witte fond, springen de lezer in het gezicht. Onder het bepaalde lidwoord staan de samenstellende delen van het woord ‘bloedplek’ − afgedrukt zonder afbrekingsteken. De semantische resonantie van de titel wordt daardoor aanzienlijk vergroot. De lay-out van de woorden zorgt ervoor dat grafisch gesproken het middelste deel − ‘bloed’ − alle aandacht krijgt. Alleen al aan de keuze voor de titel en de werking ervan in de semantische ruimte van de bundel kan een betoog worden opgehangen. ‘De bloedplek’ is immers niet alleen een vlek (‘plek’), het al dan niet gestolde restant van het bloeden. Het woord kan ook als een ruimtelijke metafoor worden gelezen. ‘De bloedplek’ is hier een intimistische plek, de locus die zijn anonimiteit is kwijtgespeeld en door een ik zich is toegeëigend. Bekend is het opstel van Herman de Coninck, naamgever van de prijs voor Demets, over spatiële metaforen in gedichten van Rutger Kopland en vooral over diens metaforische exploitatie van ‘de plek’ (zoals in Een lege plek om te blijven). Ik herken een soortgelijke idiosyncratisch ingevulde plek in het werk van Paul Demets. ‘Bloedplek’ is met andere woorden niet alleen een residu van het bloeden, een iteratief die zowel pijn als leven genereert (of symboliseert). Het is een niet inwisselbare en tegelijk – in de ruimte van de bundel – een problematische plek van geborgenheid en bloedverwantschap.

Voor het semantische veld van ‘De bloedplek’ vinden we in de tekst zelf allerlei aanknopingspunten. De titel van de derde afdeling, bijvoorbeeld, is ‘De broedplaats’, op één letter na een ‘bloedplaats’. Ook de afsluitende (vierde) gedichtencyclus − een lang gefragmenteerd gedicht – is getiteld ‘Horst’. In Van Dale staat te lezen dat een horst een “[hoog en ruig] nest van grote vogels [is], m.n. roofvogels”. Dat is “het nest”, met de bedreigende connotatie van roofvogels, zoals de lezer het op pagina 57 van De bloedplek tegenkomt.

De ruimtelijke component in de titel kan naast een verwijzing naar het bloeden én naar de plek die door een specifieke bloedband wordt gemarkeerd, eveneens worden gelezen vanuit een metapoëtisch standpunt. In dat opzicht is de bundel de plek waar ‘het bloed’ (als symbool voor het leven, metonymisch geassocieerd met de bloedsomloop) een eigen uitdrukkingsvorm heeft gevonden.

Doorbladeren we de bundel, na het aanschouwen van de cover, dan vallen de klassiek opgebouwde versstructuren op. Zo is er in de eerste afdeling een overwicht van gedichten die uit drie regelmatig opgebouwde kwatrijnen bestaan, de tweede afdeling omvat vijf sonnetten alsook zeven gedichten die uit vier kwatrijnen bestaan, in sommige gevallen aangevuld met een afgezonderde slotregel. De ‘plek’ wordt m.a.w. ook in formele zin vertaald en kan als dusdanig een door de auteur geconstrueerd particulier oord van geborgenheid zijn. Een oord dat voortdurend door externe omstandigheden wordt ontregeld en voor een gevoel van onbehagen zorgt.

2.

persona pratica

persona pratica

In een paratekstuele lectuur, meestal de aanzet voor een eerste omcirkeling of betekenisgeving van de tekst, zijn niet uitsluitend de keuze en de boekvormelijke uitwerking van de titel van belang. Er zijn ook de motto’s en de opdracht. Paul Demets heeft De bloedplek opgedragen aan “H., F. en J. en ook voor W.”. De initialen kunnen referentieel worden opgevat en verwijzen naar de beginletters van de namen van vrouw en dochters, en de W. naar de poëzieredacteur Wil Hansen, die de dichter Paul Demets al bij Meulenhoff begeleidde. Deze biografisch-anekdotische gegevens bieden allerminst het noodzakelijke referentiekader voor een productieve lezing. De door Demets gepersonaliseerde opdracht beklemtoont hoe dan ook de existentiële laag van de verzamelde gedichten. In een epitekst, in dit geval een e-mail van Paul Demets, is sprake van “de laatste, lange afdeling [die] heel persoonlijk [is] geworden”. De zelfmoord van een dierbare vriend, de moeizame geboorte en “de moeilijke eerste levensjaren” van een dochter leveren de pijnlijke humus voor een dichtwerk dat dieper snijdt en verder reikt dan de tragische realia die eraan ten grondslag liggen. Door de bundel op te dragen en de opdracht met persoonsverwijzingen als paratekst te presenteren, krijgt de metaforische zegging tegelijk een particuliere (autobiografische) lading. Persoonlijke anekdotiek en meer abstracte symboliek werken op elkaar in. Ze verlenen de tekst een bijzondere spankracht.

3.

Wat wellicht revelerender is voor een betekenisgeving van de tekst, is de beredeneerde keuze voor enkele motto’s. De vier afdelingen worden voorafgegaan door een citaat. Het opmerkelijke van de citaten uit Dostojevski’s De dubbelganger, de excerpten uit Liquid Times en Liquid Love van de Poolse socioloog Zygmunt Bauman én het fragment uit Lacans Écrits is dat ze voortdurend resoneren in Demets’ gedichten. In de openingsafdeling ‘Perimeter’ wordt letterlijk, naar de lexicale betekenis van het woord, gepeild naar “de uitgestrektheid van het gezichtsveld” van het sprekend subject: de hij-persona wordt geregistreerd als een spiegelbeeld van het ik. Ik noteerde tijdens mijn lectuur enkele regels: “We zijn/hem niet, maar kennen hem” (p.8), “de man die wij/niet zijn. Die zich voordoet”, “Elders, in een ander lichaam, denken we hem” (p.10), “Hij prent zich ons in” (p.12). Identiteit en lichamelijkheid, de relatie tussen ik en hij, zijn zoals gezegd motieven in de poëzie van Paul Demets. Ik en hij kunnen in de aangehaalde regels als een dubieuze dubbelganger worden opgevat. Paul Demets stuurde mijn lectuur met de uitspraak in een privécorrespondentie (die ik met zijn toestemming mag prijsgeven): “De bloedplek is een zoektocht naar authentieke plekken, in een wereld waarin we aangeraden worden om zoveel mogelijk de façade te verzorgen, letterlijk zelfs, in wellness- en fitnesscentra en winkelparadijzen. Ik beschrijf de excessen daarvan: hoe dit op maatschappelijk en op persoonlijk vlak − in een relatie − voor spanningen kan zorgen. Hoe we een dubbelganger van onszelf scheppen, een soort ideaalbeeld dat ons leven op den duur lijkt over te nemen. En dat is niet minder dan bedreigend”. De “excessen” zijn de roofvogels van de horst.

Een soortgelijk verhaal kan worden geconstrueerd over de cycli die een motto van de Pool Zygmunt Bauman kregen. In ‘Lounge’ is dat een regel uit Liquid Times − naast de ruimtelijke beelden (de plek, het nest, de kamer, de broedplaats) is er ook een opvallende aanwezigheid van temporele metaforen (de rekbaarheid van de tijd – deze notie komt overigens in allerlei variaties voor). In deze tweede afdeling, met de regel uit Liquid Times, wordt de welness- en fitness-mode als uitgangspunt genomen. Het motto luidt: “changing yourself as often as you can manage it”. Met humor en sarcasme, met oog voor absurditeit en tegelijk “een alles doordringende tristesse”, wordt in deze reeks een ontluisterend beeld opgehangen van het oppervlakkige façade-denken. Alles wat met ‘Bio’, ‘Dresscode’, ‘Bodymass’ en ‘Snit’ wordt aangeduid, verhult een authentieke plek. Deze locaties zijn in Demets’ poëtische universum de fake plaatsen waar het particuliere ik altijd weer verdwijnt. Indien alles uiterlijke schijn is, of een locus van wat Erwin Mortier in zijn recensie in De Morgen een “onbestemd onbehagen” noemt, wordt het fundament van de existentie aangetast en dreigen de relaties tussen individuen grondig verstoord te raken.

Uit een ander bericht van Paul Demets heb ik, met zijn permissie, nog deze auteursintentionele uitspraak over intertekstualiteit in De bloedplek genoteerd: “Mijn voorliefde voor regisseur Roy Andersson, de regisseur van Songs from the second floor en You, the living, heeft ook zijn stempel op deze bundel gedrukt, denk ik: hoe hij ons, toeschouwers, als het ware van over de dood heen naar de werkelijkheid laat kijken. Heel fascinerend”. Het kijken en registeren is een belangrijk motief in de bundel. Demets gewaagt zelf in zijn metadiscours over “de dissecterende blik van iemand die toekijkt”, zoals in de films van de Zweedse regisseur Roy Andersson. De regel op pagina 33 is typerend voor de houding van de ik-verteller: “Het is toch altijd anders, in het echt”. Het is trouwens Zygmunt Bauman die het concept van de “vloeibare samenleving” introduceerde. Daarover wist de dichter dit nog te melden: “de condities van de eenentwintigste eeuw veranderen zo snel, dat de mens er niet meer in slaagt om ze te consolideren in gewoontes en routines”. Het is de maatschappij zelf, met haar hypocriete façade-denken en depersonalisering (of artificiële duplicering) van het ik, die de serial killers Anders Behring Breiviks en Ronald Janssens creëren.

Tijdens mijn lectuur zijn de twee volgende afdelingen van De bloedplek het meest aan de ribben blijven plakken. De derde afdeling begint met een citaat uit Baumans Liquid Love, de afsluitende cyclus met “ça parle” van Jacques Lacan. Indien we de existentiële dimensie van De bloedplek in overweging willen nemen, dan kan de ‘plek’ uit de titel ook als volgt worden gelezen. De plek is niet alleen een vlek of een oord van geborgenheid. Ze is eveneens een broeihaard van ziekte en pijn, waar de ‘wij’ en de ‘jij’-figuur uit elkaar worden getrokken. Volgens Erwin Mortier gaat het over “heikele plekken van onze vloeibare dagen met hun onbestemde onbehagen”. De ‘broedplaats’ kan tegelijk worden gelezen als een beeld voor de baarmoeder, en na een problematische zwangerschap en een moeizame bevalling misschien ook voor de artificiële couveuze die het jonge leven levensvatbaar moet houden. Het zou te ver leiden op die ruimtemetaforiek dieper in te gaan.

De slotregels van de bundel luiden als volgt: “Het kwam,//het komt terug. Het brengt ons dagelijks voort”. Wat daar staat, is een adagium. ‘Het’, of bij de psychoanalyticus Lacan het sprekende “ça”, of nog anders: het niet nader benoemde dat in het slotgedicht en bij uitbreiding in de slotcyclus ‘Horst’ wordt benaderd, zorgt voor voortgang. ‘Het’ is mogelijk een verwijzing naar de spanning die het bestaan steeds verder voortdrijft. ‘Het’ is mogelijk de levensdrang die ‘ons’ (namelijk jij en ik) “dagelijks voort(brengt)”. Dat ‘ons’ bestaat bij de gratie van de wil, de drang, de spanning. Het zijn wat mij betreft deze existentiële aspecten, naar analogie met het levensnoodzakelijke pompen van het hart en de cyclus van de bloedsomloop, die het leven en meer specifiek de poëzie leefbaar maken.

De slotzinnen van mijn introductie waren de volgende: ik mag u graag uitnodigen tot een bezoek aan De bloedplek van Paul Demets. Het is een plek die tot de meest intimistische plaatsen van het mens-zijn kunnen worden gerekend. Waar we nog een individu kunnen ontmoeten.

Paul Demets, De bloedplek. De Bezige Bij, Amsterdam, 2011, 61 p.

Bookmark and Share

Comments are closed.