Janita Monna. ‘Verdraaid, zo is het’

 

Bij P.C. Hooftprijs voor Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff

‘Ja, zo is het! Zo is het nou precies!’ Zo omschreef Tonnus Oosterhoff ooit aan collega-dichter Rutger Kopland het gevoel dat een goed gedicht opriep: een kort en fel moment waarbij je even denkt een ‘blik te werpen op iets heel waars en zinvols’. Een gevoel dat overigens evengoed opgeroepen kan worden door een zin van Tsjechov als door een onhandig geschreven berichtje uit een buurtkrantje.

Het ‘zo is het’-gevoel is ook de leidraad in zijn eigen werk. Er ligt geen idee klaar dat uitgewerkt moet worden, of een anekdote die gevangen dient in woorden: zijn gedichten zijn collages, opgebouwd uit overal vandaan geplukte taalfragmenten – flarden dialoog, nieuwsberichten, gedachten, radio- en televisiefragmenten, taalgrapjes, hersenspinsels, zó in stelling gebracht dat het als geheel werkt. Onlangs verscheen zijn zesde dichtbundel, Leegte lacht. Alleen al die onheilspellende titel is een typische Oosterhoff-regel: een perfect gevonden citaat, afkomstig uit een artikel in Trouw waarin politici, onder wie René Leegte, reageren op de kernramp in Japan.

‘Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aan? Leegte lacht: “Dat wordt een beetje sciencefiction.”‘

Leegte lacht is ‘pas’ zijn zesde dichtbundel. Hij debuteerde weliswaar twintig jaar geleden, maar het lijkt weleens of hij elke bundel opnieuw een beetje debuteert, want in het stapeltje Oosterhoff is iedere bundel een vernieuwing ten opzichte van de voorgaande. Hij is geen dichter die op zijn lauweren rust, al ontving hij vrijwel iedere prijs die er voor poëzie te krijgen is, van Buddingh’ tot VSB. Hij dwingt zich er ook toe: ‘Gedichten mogen van mij niet te veel op elkaar lijken; de tweede keer geloof ik mijzelf niet meer.’

Toch is aan de grondtoon uit Boerentijger, zijn eerste bundel uit 1990, weinig veranderd. Die toon bestaat, om met woorden uit zijn laatste bundel te spreken, uit een mengeling van ‘verlegenheid’ en ‘galligheid’. Daarbij een uitzonderlijk gevoel voor humor en een bijzonder sterk afgestelde sensor voor eigenlijk iedere vorm van taalgebruik: in het openingsgedicht wordt de dichter als een luipaard dat luistert naar de ‘radiowind’. De dichter als zendmast die wat hij opvangt, vervormt en hervormt en weer uitzendt. In dit debuut is al voelbaar hoe Oosterhoff die opgevangen woorden onder spanning weet te zetten. Een eenduidige betekenis valt er niet op te plakken, maar af en toe sijpelt iets door waarvan je kunt zeggen: Verdraaid, zo is het. Dan is het of je een ‘seinvlag’ ziet, zoals in het gedicht ‘Fontanel’:

 

Over de mond zit een vel

waarachter een dagritme bonkt.

Moeders zeepzachte handen

trillen van liefde en angst.

 

De lichtende draden van liefde

en feller de draden van angst

zijn in het denkvocht gespannen

tot het kind er seinvlaggen aan hangt.’

 

In dit korte gedicht zit meteen dat precaire en onbehaaglijke dat veel gedichten van Oosterhoff hebben. Zijn fascinatie voor het lichaam (met zijn afwijkingen en ziektes), en met name zijn fascinatie voor de hersenen en voor de plaats en de wijze waarop taal ontstaat, zijn hier bijvoorbeeld te zien in het vel als fontanel over de mond.

Het evenwicht dat hij schept is breekbaar, zoals de moeder met de zeepzachte handen het kind elk moment kan laten glippen. Het is compassie die kan omslaan in een luguber tegendeel, in een grimmige situatie. Wat niet wegneemt dat je eindeloos veel (pijnlijk) geestige regels uit zijn werk kunt citeren:

‘Naar mijn mening moet iedereen vanaf heden/ op slechtverwarmde huurkamers bivakkeren/ met betimmering foeilelijk.’

‘Er ligt een dode chinees, ogen/ half open, te ademen in mijn bed,/ zijn oren hebben nog het driehoekige/ van de tekentafel.’

Zijn Oosterhoffs eerste twee bundels in zekere zin traditioneel als het gaat om typografie, in (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum (1998) – ook díe titel ontleende hij aan een krantenartikel – maakt hij al meer gebruik van verschillende lettergrootten, kleur. Daarin staat ook het even poëticale als geestige en fantastische gedicht ‘Meneer met Pinksteren’. Het heeft een verrukkelijk plechtstatige toon die behoorlijk op de lachspieren werkt. Een fragment van de dichter Leopold lezend, overdenkt personage O:

‘O, denkt O, kon dit maar eigen maaksel zijn; het zou mijn werk net dat beetje extra geven dat het nu voorgoed moet missen.’

Valse bescheidenheid? Hoe dan ook is er in zijn bundels nauwelijks een zwakke schakel te vinden. In Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2003) zien we de dichter opnieuw aan het werk. Dwars door de gedrukte tekst, in de kantlijn staan handgeschreven kreten, verbeteringen, aanvullingen, soms in grote hanepoten – ‘Brul admiratie/ Lucebert gans de natie ‘ – soms zo kriebelig dat het bijna niet te lezen is.

Dat Oosterhoff de P.C. Hooftprijs krijgt, is meer dan terecht. Want hij geldt niet alleen op papier als grote vernieuwer, hij staat bovenal nog altijd eenzaam aan de (Nederlandse) top van de digitale poëzie.

Op zijn website www.tonnusoosterhoff.nl plaatst hij regelmatig nieuwe bewegende gedichten. Daarbij verschijnen en verdwijnen zinnen, woorden, fragmenten, krabbels op het scherm, in een strakke regie of misschien wel choreografie van de dichter. Het is een heel andere manier van poëzie lezen, want het is niet de lezer die het tempo bepaalt, maar de dichter. Tegelijk is het of het gedicht onder je ogen ontstaat, zoals in ‘Nachtkrabbels’, een recent gedicht op de site waarin handgeschreven tekst zich mengt met woorden in drukletter. Bij Oosterhoffs digitale poëzie worden ogen en hersenen steeds kort geprikkeld, haast nooit zie je het gedicht als geheel. Dat maakt dat je met ingehouden adem kijkt en luistert, zoals naar de prachtige ready-made die enkele jaren gelden op de site stond: ‘Wat moet ik ervan zeggen?’ Oosterhoff gebruikte hier de stem van de 100-jarige Theo Tukker uit een radiodocumentaire. Wat de oude man met bevende stem vertelt, verschijnt tegelijkertijd woord voor woord op het scherm: ‘Ik sta op en, ja, ja, ik ga bewerkstelligen wat ik heb gedaan enzovoorts, en ik denk nou, theo, dat moet je maar doen.’ De krakende oude man zegt eigenlijk niet zoveel en zegt zo eigenlijk alles.

Oosterhoff krijgt de P.C. Hooftprijs voor zijn poëzie, hij schrijft ook essays en verhalen. Van zijn werk, zelfs van de bewegende gedichten, bestaan ook Engelse vertalingen. En voor wie graag op de hoogte blijft van het werk van deze P.C. Hooft laureaat: je kunt je abonneren op zijn website. Nieuwe bewegende gedichten belanden dan zo, bij wijze van cadeau, in het postvak van je e-mail.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

(Janita Monna)

Bookmark and Share

Comments are closed.