Luuk Gruwez. De laatste der Azteken

Erik Spinoy

Deze bespreking van het gedichtendagessay 2012 van de hand van Erik Spinoy verscheen eerder al in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. DE LAATSTE DER AZTEKEN

Het zijn barre tijden voor het genre poëzie. Dreigt de teloorgang? Volgens Erik Spinoy, schrijver van ‘As/zteken’, het jongste gedichtendagessay, is die allerminst ondenkbaar: ‘Poëzie is in Nibelungenachtige nevelen ontstaan. Poëzie zal dus, in een toxische apocalyps, beslist ook een keer verdwijnen. Volgens sommigen ligt dat moment (…) misschien niet eens meer zó ver van ons vandaan.’ Ook dit staat er: ‘De nakende verdwijning of op zijn minst de complete marginalisering van de poëzie valt niet uit te sluiten.’ Poëzie is inderdaad zijn maatschappelijke prestige kwijt en krijgt nauwelijks nog aandacht op scholen, in kranten en weekbladen.

De auteur buigt zich al in het tweede van zijn eenentwintig korte hoofdstukjes over de wisselende waarde die men aan een auteur toekent tot er uiteindelijk iets als een consensus ontstaat. Hij vernoemt daarbij Louis Paul Boon als schoolvoorbeeld. ‘Eén oordeel is het dominante geworden,’ schrijft hij. Wie daarvan probeert af te wijken dreigt zich te excommuniceren, ook al is geen enkele consensus zaligmakend. De geschiedenis van de poëzie is in hoge mate een van dichters die in tegengestelde discoursen het gelijk aan hun kant proberen te krijgen. Herman de Coninck (over wie hier wordt beweerd dat hij aan het eind van de twintigste eeuw als geen ander de Vlaamse poëzie naar zijn beeld en gelijkenis heeft geboetseerd) eigent zich op deze wijze het nieuw-realisme toe, net zoals Spinoy zelf dat in zekere zin met het postmodernisme doet door er juist afstand van te nemen. Postmodernist is hij eigenlijk in hoofdzaak door het feit dat hij zich tegen dat etiket afzet. Want wordt hij doorgaans als dusdanig omschreven, hij ziet zichzelf veeleer als een romanticus, in zijn definitie niet zozeer iemand die zweert bij de renovatie, maar bij de negatie, iemand die in opstand komt tegen het aangepaste en – zoals dat hier herhaaldelijk heet – ‘in het ongebondene gaat’. ‘Met de romantiek is iets fundamenteels in de poëzie voorgoed veranderd,’ schrijft hij. Het gaat hem hier niet zozeer om een historische stroming, maar om een proces van voortschrijdend inzicht. Hij adstrueert zijn stelling aan de hand van gedichten van Claus, Faverey, Dickinson en Gezelle.

Kon je de zogenaamde ‘postmodernen’ destijds misschien enig sektarisme aanwrijven, dan is  hier duidelijk dat Spinoy daar wars van is. Bovenal omschrijft hij poëzie als iets lichamelijks, als iets dat zich op het riskante af laat inspireren door onze diepste drift. De dichter is iemand die voor insubordinatie gaat, die zich ontdoet van de conventies waarnaar men hem probeert te kneden, het askruis van zijn voorhoofd wist en zich als een Azteek weigert te onderwerpen. Die nadruk op het lichamelijke leidt soms tot aardige constataties, bijvoorbeeld daar waar hij een affiniteit ziet tussen Gezelles gedicht ‘Ego Flos’ en het ‘Je t’aime moi non plus’ van Serge Gainsbourg. Ondanks diens reactionaire ideologie, ziet hij Gezelle als de ‘Gainsbourg van de neogotiek’. (Spinoy is een par keer niet vies van spitante, maar misschien wel ware beweringen. Bijvoorbeeld waar het om de tanende interesse van media en overheden voor poëzie gaat. Hij stelt vast dat de provincie West-Vlaanderen hierop een uitzonderig vormt en voegt daar kwansuis aan toe dat het daar is dat de bakermat van half dichtend Vlaanderen gelegen is.)

Al dreigt poëzie onmogelijk te worden, toch beweert de auteur dat ‘haar onmogelijkheidsvoorwaarde tegelijk haar mogelijkheidsvoorwaarde’ is. Of om het simpeler te stellen: uit het onmogelijke wordt het mogelijke geboren. Hij beëindigt zijn essay dan ook met een onversneden eloge aan de dichter, die laatste der Azteken: ‘Saluut daarom aan de dichter, aan zijn lezer: eeuwige Azteek, niet te stuiten zombie. Geest die niet uitgedreven raakt.’

Het is onmogelijk om dit rijke essay, dat nog over zoveel meer gaat, binnen een kort bestek als dit recht te doen. Een enkele keer klinkt het te wollig en te academisch en is het te frequent gelardeerd met termen uit het Engels, het Frans of het Duits. De titel klinkt bovendien wat geforceerd inventief. Maar voor de rest is het gedichtendagessay 2012 een ‘grand cru’ en bevat het een visie die uiterst verdedigbaar is en niets dan applaus verdient.

 

(Luuk Gruwez, 2012)

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.