Luuk Gruwez. En in het bewaren begint meteen het verliezen

DE SIRENE   In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

EN IN HET BEWAREN BEGINT METEEN HET VERLIEZEN

Eva Gerlach

Eva Gerlach

Er heerst veel snobisme in de wereld en ook in het domein van de poëzie praat een handjevol lezers maar al te vaak een handjevol lezers na. Velen vinden zo’n winkeldochter als een dichtbundel hoofdzakelijk vervelend of truttig. Misschien wel omdat zelfs de meest gerenommeerde dichters haast collectief lijken te investeren in de spoedige teloorgang van hun eigen genre. Betekent dit dat gedichten onmiddellijk de aandacht hoeven te capteren? In het geheel niet. Alleen moeten ze zich zien te bevrijden van hun wereldvreemdheid. En verder hoeven zij eigenlijk niets. Alleen: verbaasd hoeven zij niet te zijn wanneer straks niemand, behalve een verdwaalde poëzierecensent, een doctorerende neerlandicus of een puzzelende academicus ze nog leest. Ik moet toegeven dat dit een bedenking is die ik mij maakte na mijn eerste lectuur van de nieuwe bundel van Gerlach. Vanwege de hoge toegangsdrempel leek ‘Kluwen’ mij wel een heel toepasselijke titel.

Ik liet het niet bij die eerste bedenking. Al snel begon die titel mij te triggeren. Hij is namelijk erg geladen. Hij kan bijvoorbeeld refereren aan de bol garen die Ariadne meekrijgt om te ontsnappen uit het labyrint waarin de dreigende Minotaurus verblijf houdt. Aan de poging om zin te geven aan wat voor verwarring geschapen lijkt. Aan de hele ‘rataplan’, zoals de dichteres een van haar cycli betitelt, de rataplan die tot een boedelinventaris noopt: dat rommeltje waaruit geen mens nog wijs kan raken, is natuurlijk noch min noch meer het leven. En dan is er nog de cover van de bundel, een foto van een warrige, in zichzelf verstrengelde plant die zich waarschijnlijk laat identificeren als ‘tumbleweed’, ook al de titel van een van de cycli. De dichteres beschouwt het geheugen ten overvloede als een instrument om aan de warwinkel te ontsnappen en om – zoals zo vaak – orde te scheppen met assistentie van de poëzie: ‘(…) ik weet / niet wat ik zing tot het gezongen is.’ Het is het schrijven zelf dat het denken genereert. Weer eens is het lied slimmer dan de zanger.

Maar in de eerste plaats gaat het hier om ‘de dood, de dood en de dood’. Over wat er in onze herinnering al dan niet blijft van wie gestorven is. Over vergeten worden en vergeten zijn. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden (…)’: zo lezen wij al in het aanvangsgedicht. En ook in ‘Bloedbal’, de slotcyclus, reutelt het dat het een lieve lust is. De vele bespiegelingen over de dood impliceren natuurlijk ook een meditatie over de tijd. Een motto van Augustinus accentueert dit: ‘Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan een uitgestrektheid. (…) Het zou me verbazen als het geen uitgestrektheid was van de geest en van hem alleen.’ In die zin zijn de doden misschien niet echt dood, maar blijven zij, ontdaan van hun lichaam, juist springlevend in de geest. Want Gerlach heeft zo haar bedenkingen bij dat lichaam waarvan zij meermalen lijkt vervreemd.  

Deze bundel is opgezet als een met mathematische precisie geconstrueerde doolhof. Zo begint hij met acht samenhorende gedichten (om preciezer te zijn: één plus zeven), terwijl hij ook eindigt met een cyclus van acht. De tweede en de voorlaatste bevatten er vijf; de derde en de derde laatste acht; de vierde en de vijfde evenals de vierde laatste elf; en de zesde, de zevende en de achtste telkens drie. Het kan nauwelijks toeval zijn. De dichteres beweegt zich weloverwogen en als het ware spiraalsgewijs naar de kern toe. Dit centripetale streven is ook merkbaar in ‘Toba’, een van haar helderste gedichten. Het handelt over een meer op Sumatra dat is ontstaan door de uitbarsting van een supervulkaan zo’n vierenzeventigduizend jaar geleden. Gerlach laat dat meer in al zijn uitgestrektheid coïncideren met een tot in het oneindige uitdeinend lichaam: ‘Ik zal vinden wat ik wil, het meer en / meer, lichaam uitspanselwijd / over het volle oppervlak gespreid (…).’ Het is een essentiële ervaring die haar aan de tijd lijkt te kunnen ontrukken, maar die dra vergeten wordt wanneer zich om halfzeven ‘s ochtends de ontnuchterende realiteit met al haar teloorgang weer aandient. 

Die teloorgang. Het verwondert mij niet dat hier opvallend veel aandacht heerst voor ontlasting, zeg maar voor pis en poep, die bij uitstek verwijzen naar die dood: ‘pissend tegen de tijd’. Wat een mens uitscheidt, vestigt scherper zijn aandacht op dat definitieve afscheid. Er zit wel meer verval in Gerlachs bundel. De aftakeling van het brein, bijvoorbeeld, in ‘Stapvoets’, een cyclus die over een dementerende vrouw gaat en waarin een aardig contrast wordt opgeroepen met het motto van A. Roland Holst dat eraan voorafgaat: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven.’ De traagheid van mevrouw Stapvoets is namelijk van een heel ander allooi, ontbeert die gratie, heeft alles met verwarring te maken en met zichzelf niet langer in de hand hebben. Ook haar taal is in de war: ‘Rat! een walsje, ik klim op je voeten / kom hou me vast neem me mee, ik kan iedereen zijn’.

Het is de dichteres al vanaf haar eerste vers te doen om de grenslijn tussen leven en dood. Zij vraagt zich af op welk moment iemand nu eigenlijk niemand wordt. Zij citeert zelfs Odysseus, die haast onsterfelijke reiziger, wanneer hij zegt dat zijn naam Niemand is. De vraag is wat er aan het eind van ons overblijft? Er is het lichaam verpakt in een jas en de route die dat lichaam aflegt van ergens naar nergens, van thuis naar uithuizig. Die jas lijkt een metafoor voor het enige bestaan waarbij Gerlach lijkt te zweren: ‘Zeg: een jas is voldoende. / Meer dan in een jas past wil ik niet hebben.’ En verder schrijft ze: ‘Leg het hart van de dode naast alles / wat hij in zijn jas bewaard heeft.’ Wat wij in onze jas bewaren staat voor wat wij hier dag na dag realiseren. Is dit voldoende om het leven zinvol te laten wezen, dan slaag je er in zekere zin in te overleven: ‘Als alles gelijk is gebleven / begint in de verte de dode / voorzichtig te lopen.’ Maar Gerlachs opinie over de grenslijn tussen leven en dood blijft getekend door onzekerheid. Niets is herstelbaar. Je kunt de geheugenfunctie niet echt op reverse zetten en scherven kun je niet echt weer heel maken. ‘(…) in het bewaren begint meteen het verliezen,’ lezen we.

‘Kluwen’ is een dichtbundel waarvan de kwaliteit minstens evenzeer in zijn ingenieuze constructie ligt als in zijn losse gedichten, die niet altijd even bevattelijk zijn. Maar wie in deze tijd nog geduld voor poëzie wil opbrengen, wacht een royale beloning.  

 

Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden

vraag wat je wilt.

 

Vluchten de levenden, ga ze

achterna, slacht ze, je krijgt

 

wat je wilt, vang hun bloed in een zak, steek een spons

op de plaats van hun hart, zeg de spreuk:

 

‘Onverzadigbaar hart, ga niet over rivieren!’

 

Geen van hen zal de Lethe oversteken.

Pis op wie tegenwerkt, sluit de deur weer en wacht.

 

Eva Gerlach

___________________

EVA GERLACH

Kluwen

De Arbeiderspers, 101 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

**** 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.