Yves T’Sjoen. Krog kom nooit alleen nie. Kromspraak in de Lage Landen

[2]

In het eerste deel van deze bijdrage heb ik een poging ondernomen de aanwezigheid van Antjie Krog in Nederland (en Vlaanderen) in kaart te brengen. Daarbij heb ik aandacht willen besteden aan (1) de Nederlandse vertalingen van Krogs poëzie (en proza) en (2) de aanwezigheid van Krog op podia (o.a. Geletterde mensen, Saint Amour, Wintertuinfestival), in interviews en als medewerker aan literaire periodieken, op een evenement als Gedichtendag. Op grond van deze materiaalverzameling, voor punt 2 uiteraard niet-exhaustief, is mijn belangrijkste stelling dat Krogs poëzie sinds de uitgave van Om te kan asemhaal (vert. Robert Dorsman, Atlas 1999) bijna systematisch beschikbaar is in Nederlandse vertaling. Antjie Krog als performer en maatschappelijk betrokken stem in en over Zuid-Afrika is ook zeer aanwezig op het publieke forum.

De poëziekritiek in de Lage Landen blijft daarentegen in gebreke, indien we rekening houden met het aanzienlijke corpus van vertaalde gedichten en de renommee die Krog internationaal geniet.

Na de presentatie van het materiaal (vertalingen en optredens) wil ik de stelling – ‘Krog geniet voor het Nederlandse publiek meer bekendheid als maatschappijkritische opiniemaker (en performer) dan als schrijver van dichtbundels’ – in dit tweede deel verder toelichten. Het overzicht van literaire kritieken zal zonder twijfel lacunes vertonen. Vandaar de oproep onderaan de bibliografie. Het corpus is samengesteld op basis van de databanken BNTL (Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap), BLTVN (Bibliografie van de Literaire Tijdschriften in Vlaanderen en Nederland) en het knipselarchief van Poëziecentrum (Gent), en na googlen naar e-zines en gedigitaliseerde boekenrecensies. Meer obscure en dus minder gelezen publicaties liet ik achterwege. Ik richt me in hoofdzaak op landelijke dag- en weekbladen en literaire periodieken.

Verkennend receptieonderzoek

Ter gelegenheid van de uitgave van Om te kan asemhaal heeft Erica Jong op de geesteswetenschappelijke webstek LitNet een van de meest uitvoerige beschouwingen over Krogs poëzie geschreven. Naast een interview met Krog door Arjen Fortuin heeft ook Arie van den Berg een recensie in NRC Handelsblad gepubliceerd (januari 2009). Méér reacties op de bloemlezing zijn me trouwens niet bekend. In Jongs bijdrage wordt de positie van Antjie Krog in Nederland als volgt belicht: “Krog is geen volslagen onbekende in Nederland. In 1977 ontving ze de Reina Prinsen-Geerligsprijs voor Mannin en Beminde Antarktika. In 1992 was ze te gast bij Poetry International, en in 1998 gastschrijver van het Nederlands Architectuurinstituut en Poetry samen. Haar gedichten verschenen in De tweede ronde en Tirade, en ze schreef columns en artikelen in het Nieuw Wereldtijdschrift, de NRC en Trouw. Op 20 maart 1999 trad ze op tijdens de Utrechtse Nacht van de poëzie, na Elisabeth Eybers (1990) en Breytenbach (1996)”. Verder wijst Jong op affiniteit met het werk van Hugo Claus en Lucebert.

Eén jaar na de verzamelbundel Om te kan asemhaal en twee jaar na de Afrikaanse editie is Kleur komt nooit alleen niet onverdeeld gunstig gerecipieerd in Nederland. In enkele door mij getraceerde besprekingen is vooral de ideologische dimensie van het dichtwerk in de verf gezet (in de trant van “overwegend politiek geëngageerde poëzie”; Koefoed, 2006). Op enkele particuliere websites (zoals De Recensent) doet Milla van der Have) afbreuk aan de Nederlandse vertaling van Dorsman en, naar analogie met Ludo Teeuwens kritiek op Gerrit Komrij’s bloemlezing Ik herhaal je met gedichten van Ingrid Jonker, aan de tweetalige opzet van ook deze tekstuitgave. Het is een kritische opvatting die je in besprekingen van uit het Afrikaans vertaalde poëzie wel vaker tegenkomt. Jan Deloof, bijvoorbeeld, heeft in Ons Erfdeel het verlies bij de Nederlandse vertaling van Kleur kom nooit alleen nie expliciet aangekaart: “Die getrouwe Nederlandse vertaling bewijst weliswaar goede diensten bij het exploreren van de gedichten in het Afrikaans, maar is hopelijk niet bedoeld als een poëtische tegenhanger. Daarvoor verliest dit Nederlands, met al zijn doffe lettergrepen en hier en daar uitgesponnen omschrijvingen, te veel aan gebaldheid en trefkracht”. Afgezien van dergelijke vertaalkundige oprispingen loven beide recensenten Krogs “meester[schap] van de taal” en de “flitsende, veel verzwijgende notities”.

In Poëziekrant heeft Kleur komt nooit alleen méér aandacht gekregen. Er is een uitvoerige bijdrage van Luc Renders, waarin Om te kan asemhaal en Kleur komt nooit alleen centraal staan. In zoverre ik het kan nagaan, is dit de meest onderbouwde tekst over Krogs poëzie in het Nederlandse taalgebied. Daarnaast noteer ik een tekst van Ingrid Glorie die in strike zin geen recensie van de bundel is. In de rubriek ‘De lezer’ contextualiseert en bespreekt zij vanuit een intertekstueel perspectief het gedicht ‘vanweë die verhale van verwondes…’. De brontaaltekst, ontleend aan Country of my skull (1998), staat onder de rubriektitel afgedrukt en ook in haar benadering van de tekst worden overwegend de ideologische lagen in de tekst aangeboord.

De volgende vertalingen van Krogs dichtbundels, met name Liederen van de blauwkraanvogel, Wat de sterren zeggen en Lijfkreet, zijn op enkele stukjes na niet echt grondig besproken in de Nederlandse dag- en weekbladkritiek en op poëziesites. Naast een bespreking over Liederen van de blauwkraanvogel van Rob Schouten voor Vrij Nederland zijn er mij ook recensies bekend van Ena Jansen in Trouw en Luc Renders in Poëziekrant. Het zal in het licht van mijn essay wellicht geen toeval zijn dat Renders in hetzelfde nummer van het poëzieblad Krog “als bruggenbouwer” presenteert (‘Schrijven aan een nieuw Jeruzalem’). Ludo Teeuwen heeft aan Liederen van de blauwkraanvogel een korte bijdrage gewijd in De Standaard. In zijn dubbelrecensie van Krogs bundel en Riana Scheepers Met de taal van karmozijn (2004; Met die taal van karmosyn, vert. Jooris van Hulle) merkt hij op dat Antjie Krog “een van de veelzijdigste Zuid-Afrikaanse schrijfsters” is, onder meer omdat zij in de bundel “de wereld van de magie [van de Bosjesmannen]” weet op te roepen “en wat nazindert, is het kloppende hart van de natuur”.

Over Wat de sterren zeggen, een tweetalige editie (Afrikaans/Nederlands) met een keuze uit de poëzie van Antjie Krog (aangevuld met een luister-cd waarop de auteur enkele gedichten voorleest), noteert Joop Leibbrand: “[Ze] proeft […] de woorden, fluistert ze, verbijt ze, acteert ze, beeldt ze uit in een ongelooflijk rijk palet aan klanken en dat alles zonder enige terughoudendheid”. Van de bundel Lijfkreet is me alleen een recensie van Peter de Broer in Trouw bekend.

Voor een literaire persoonlijkheid met groot internationaal aanzien is het wellicht merkwaardig te noemen dat de Nederlandse critici zo relatief weinig belangstelling weten op te brengen voor Krogs vertaalde poëzie.

Alle verhoudingen in acht genomen, dat wil zeggen rekening houdend met Gedichtendagbundels die de afgelopen jaren door Nederlandse en Vlaamse auteurs zijn geschreven, heeft de Gedichtendaguitgave Waar ik jou word in de gedrukte en digitale poëziekritiek ook weer weinig reacties teweeggebracht. Dit zegt uiteraard méér over de stand van de hedendaagse poëziekritiek dan over Krogs dichterschap. Misschien kan een oorzaak voor de geringe aandacht voor Krogs Gedichtendagbundel worden gezocht in het gegeven dat de bundel gedichten omvat die eerder al in Om te kan asemhaal, Kleur komt nooit alleen en Lijfkreet is uitgegeven.

De volgende bundel, Hoe zeg je dat (2010), een nieuwe ruime keuze uit de poëzie van Antjie Krog (van Dogter van Jefta tot Waar ik jou word), kreeg daarentegen meer aandacht. Naast Theo Hakkert in Het Parool heeft Erik Menkveld, toentertijd directeur van Poetry International, in de Volkskrant een panoramisch overzicht van Krogs dichterschap gepubliceerd. Ook hier komen de Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) en het politieke engagement uitgebreid aan bod. De doorbraak van Antjhie Krog in Nederland, na haar vroege entree ter gelegenheid van de bekroning met de Reina Prinsen-Geerligsprijs, wordt door de recensent gesitueerd in 2000. Dat wil zeggen naar aanleiding van de Nederlandse editie van De kleur van je hart.

Voorlopig wil ik deze tussentijdse conclusie formuleren. De beperkte media-aandacht voor Waar ik jou word zegt iets over de stand van de poëziekritiek in Nederland (en Vlaanderen), maar evengoed over de relatief gesproken mindere renommee van de dichter Antjie Krog in ons taalgebied. Robert Dorsman liet me weten dat Krogs poëzie goed verkoopt en dat haar optredens druk worden bijgewoond maar dat de kritiek de (vertaalde) Afrikaanse literatuur makkelijk voorbijloopt. Er zijn verhoudingsgewijs inderdaad méér interviews met Antjie Krog op te sporen dan dat er boekenrecensies zijn.

Een onderzoeksvoorstel: comparatieve receptiestudie

Het is mij niet bekend of een soortgelijke receptieverkenning is ondernomen naar de aanwezigheid van de dichter Antjie Krog in het Angelsaksische taalgebied. Enkele teksten zijn ofwel door de auteur eerst in een Engelstalige editie of zelfs simultaan in het Afrikaans en het Engels gepubliceerd (zoals Country of My Skull, Kleur kom nooit alleen nie, Down to My Last Skin, A Change of Tongue, Die sterre sê “tsau”/ Xam-gedigte van Diä!kwain, Kweiten-ta-//ken, A!kúnta,/ Han≠kass’o en // Kabbo en Verweerskrif). Vanuit een comparatief standpunt kan het mijns inziens revelerend zijn de aanwezigheid (zowel de presentie als de receptie) van Krogs literaire werk in ook andere literaire systemen en taalgebieden te onderzoeken.

Ingrid Glorie besluit haar essay over Komrij’s bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie met twee overwegingen. De eerste is dat de bloemlezing in Nederland zo succesvol is door “het Komrij-kwaliteitskeurmerk”. Zij stelt: “Het is niet aan een plotselinge massale belangstelling voor de Afrikaanse poëzie te danken dat zoveel mensen het boek hebben gekocht, als wel met bepaalde verwachtingen die alleen al gewekt worden door het feit dat Komrij’s naam op het omslag staat”. Op basis van de casus Antjie Krog kan ik instemmen met deze opmerking. Het is niet omdat een auteur in het eigen nationale circuit (in dit geval het Afrikaanse en Engelse taalgebied van Zuid-Afrika) een onomstootbare reputatie geniet dat ook in andere taalgebieden en literatuursystemen de literaire persoonlijkheid, en dus de literaire productie (in vertaling), op grond van dezelfde criteria worden gewaardeerd. Mijn vaststelling is dat Antjie Krog in de Lage Landen toch op meer extraliteraire merites wordt in beeld gebracht. Ik vergelijk met de wijze waarop in de academische literatuurkritiek in Zuid-Afrika aandacht wordt besteed aan ook andere facetten van Krogs literaire productie.

Een tweede conclusie van Glorie deel ik veel minder. “Komrij [is erin] geslaagd […] om de Afrikaanse poëzie in Nederland opnieuw op de kaart te zetten”. Daarmee doelt Ingrid Glorie op ”de Nederlands-Afrikaanse canon”, de evergreens die bij een Nederlands publiek herinneringen of zelfs herkenning oproepen. Indien de implicatie van deze stelling is dat hedendaagse Afrikaansschrijvende dichters door bemiddeling van vertalingen makkelijker weerklank krijgen in het Nederlandse literatuurlandschap, zou ik dat op basis van mijn casus en uitspraken van vertaler Robert Dorsman willen nuanceren.

Mijn verkenningstocht, met de receptie van de poëzie van Antjie Krog in de Lage Landen als kompas, heeft niet opgeleverd wat ik vooraf kon verwachten. Over de weerklank van Krogs poëzie hoefde ik mij geen vragen te stellen, aangezien de Zuid-Afrikaanse auteur internationaal veel waardering krijgt. Boekbesprekingen in toonaangevende Nederlandse en Vlaamse media, in zoverre ze over Krogs poëzie handelen, focussen sterk op de maatschappijkritische présence van de persona pratica . Zoals gezegd is deze casus illustratief voor de stand van de poëziekritiek in het Nederlandse taalgebied. Indien er recensies voorhanden zijn, richten de schrijvers ervan zich toch overwegend op extra-literaire facetten. Antjie Krog wordt neergezet “als zeer gewaardeerde gast”, als stem in het debat over (post)apartheid en het maatschappelijke bestel van Zuid-Afrika, en dus niet in eerste instantie als belangrijke dichter. In de verzamelde besprekingen heb ik zelden een uitspraak genoteerd over verstechnische, thematische, poëticale of andere aspecten van Krogs veelzijdige en rijke dichterschap.

Vermelde bronnen

Deloof, Jan. 2002. ‘Genoeg beredenéérdheid in jou hartstog kry’. Gedichten van Antjie Krog. In: Ons Erfdeel 45(4), 589-591. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.dbnl.org/tekst/_ons003200201_01/_ons003200201_01_0137.php>

De Moor, Wam. 2002. Zal ik altijd wit blijven? In: De Gelderlander, 22 Maart. [Kleur komt nooit alleen]

Glorie, Ingrid. 2006. ‘Duizend woorden schroeien mij tot een nieuwe tong’. Over het gedicht vanweë die verhale van verwondes… van Antjie Krog. In: Poëziekrant 30(1), 36-39.

Glorie, Ingrid. 2002. Gerrit Komrij en de Zuid-Afrikanen. LitNet (NeerlandiNet). <http://www.oulitnet.co.za/glorie/glorie8.asp>

Hakkert, Theo. 2010. Ik benoem wat ik voor mezelf onmogelijk vind. Het Parool, 10 Februari. [Hoe zeg je dat]

Jong, Erica. 1999. Om te kan asemhaal – gedichten van Antjie Krog. LitNet. <http://www.oulitnet.co.za/vholland/akrog.asp>

Koefoed, Geert. 2009. Op zoek naar een taal van heelheid en gemeenschappelijkheid. Oerdigitaalvrouwenblad. < http://www.oerdigitaalvrouwenblad.com/pp/story/op-zoek-naar-een-taal-van-heelheid-en-gemeenschappelijkheid> [Hoe zeg je dat]

Leibbrand, Joop. 2005. Poëzie kort. Meander/e-zine. [Wat de sterren zeggen] <http://eerder.meandermagazine.net/recensies/recensie.php?txt=1483&id=>

Menkveld, Erik. 2010. Het wisselen van tampon in een townshiphotel. In: de Volkskrant, 15 Januari. [Hoe zeg je dat]

Renders, Luc. 2004. Gedichten die van ver komen. In: Poëziekrant 28(4), 90-91. [Liederen van de blauwkraanvogel]

Schouten, Rob. 2010. Halfontkleed schreeuwen. In: Awater 9(1), 36-37. [Hoe zeg je dat?]

Teeuwen, Ludo. 1999. ‘Mijn Afrikaans is een politiek statement’. Interview. De woedende gedrevenheid van Antjie Krog. In: De Standaard, 8 April. <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DEXG28032000_013>

Teeuwen, Ludo. 2004. Woorden als kersen. Vertalingen van Antjie Krog en Riana Scheepers. In: De Standaard, 26 Februari. [Liederen van de blauwkraanvogel] <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=GC445GHU>

Van der Have, Milla. 2002. Die begenadigde woord. De Recensent, 21 Februari. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.derecensent.nl/2000-2004/antjie_krog.htm>

Van der Heide, Lotte. 1998. Als de leugen zich opricht, ruik ik bloed. De rechten van de mens, 3 December. <http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Mensenrechten/waarheidscommissie.html>

Voor enkele aanvullende bronnen, zie: BNTL en BLTVN. De bibliografie bij deze tekst pretendeert geen volledigheid. Voor het signaleren van aanvullende recensies in ruim verspreide dag- en weekbladen en literaire periodieken ben ik alvast dankbaar.

Vanuit een comparatief perspectief wil ik nog wijzen op de volgende twee studies over Krogs werk m.b.t. actoren in de Nederlandse literatuur:

Van Zyl, Dorothea. 2009. Grensoorskrydende passie in die poësie van Antjie Krog en Anna Enquist. Vroueverskynsel, konvensie of vernuwing?

Van Niekerk, Jacomien. 2009. Twee digters op die podium. Performatiwiteit in die oeuvres van Antjie Krog en Tom Lanoye.

In: Foster, R. & T’Sjoen, Y. & Vaessens, T. (reds.). Over grenzen/Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie. Leuven/Den Haag: Acco, resp. 109-127 en. 319-332.

Met dank aan Stefaan Goossens van Poëziecentrum (Gent).


Endnotes

In een paratekst bij het lange gedicht ‘skryfode’ (in Kleur kom nooit alleen nie) worden Hugo Claus en Charles Ducal expliciet genoemd.

Ingrid Glorie heeft naar eigen zeggen (Versindaba, februari 2012) elk nieuw boek van Antjie Krog besproken, onder andere in het magazine Zuid-Afrika. Voor mijn onderzoek focus ik uitsluitend op poëzierecensies in (landelijke) literaire media. Het samenstellen van een lijst van interviews met Krog, in tegenstelling tot poëziebesprekingen in boekenbijlagen van dag- en weekbladen en in literaire tijdschriften, is bijna onbegonnen werk. Met dank aan Ingrid Glorie.

Aanvullend kan nog worden gewezen op Antjie Krogs aanwezigheid in themanummers over Zuid-Afrikaanse literatuur van Nederlandse literaire periodieken. In het dossier ‘Identiteit in tekst en taal’ (red. E. Jansen) van Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur (mei 2004) zijn in een vertaling van Robert Dorsman en Jan der Haar ‘Nieuwe gedichten’ van Krog opgenomen. In ‘Plaatsen van Afrikaner herinnering’ in De Gids (november-december 2008) is ‘Brentpark march for freedom 1990’ (‘Nieuwe gedichten’) in een vertaling van Dorsman en Van der Haar gepubliceerd.

Bookmark and Share

Comments are closed.