Janita Mona. Onder het vergrootglas (Eva Gerlach)

Eva Gerlach – Kluwen

Recensie door Janita Mona

Eva Gerlach

Eva Gerlach

Al gaan de deuren open, een warm welkom krijgt de lezer die de nieuwe bundel van Eva Gerlach openslaat niet. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden/ vraag wat je wilt.// Vluchten de levenden, ga ze/ achterna, slacht ze’.

Het leven wordt gevangen en op de slachtbank gelegd. ‘Ontleed’ is misschien een beter woord, want dat is wat er veelal gebeurt in het werk van Gerlach. Haar werkwijze houdt het midden tussen het onderzoekende van de bioloog en het secure snijden van de anatoom. Ze heeft in haar poëzie evengoed oog voor de wratten van padden als voor de onzekere puber die bang is dat hij uit z’n ‘giechel’ stinkt.

Kluwen is een poging om grip te krijgen op een van de meest ongrijpbare aspecten van het leven: het geheugen, de herinnering, wat bewaart wordt en vergeten.

De bundel is het eerste deel van wat de driedelige cyclus Ogen wijdopen moet worden, een motto, een regieaanwijzing gaat de bundel vooraf:

 

het labyrint

van tijd waarin we naar het midden lopen

of we willen of niet ogen wijdopen

 

Voor wie in Gerlachs labyrint verstrikt raakt, is geen weg terug; er is geen draad van Ariadne, maar een kluwen, waarin na elke knoop een nieuwe volgt. Want Gerlach is een onbarmhartig dichter, ze spaart niets, wil tot in de vezels doordringen. Als weinig andere dichters kan ze de zweep over de woorden te halen en zo elk sentiment en elk effect eruit te slaan. De eerste reeks ‘Stapvoets’ bijvoorbeeld, gaat over een oude, aftakelende dame, een moeder voor wie het einde nadert en van wie langzaam afscheid wordt genomen:

 

Ze is een open plek geworden, dood

spreidt zijn jas uit en schrijft ‘gereserveerd’

op oksel ooglid oorlel overal.

 

Toch is voor tranen geen plaats: het ongemak met de lichamelijke situatie van de oude vrouw en het aanschouwen daarvan wordt genadeloos weergegeven. Daarbij is nauwelijks onderscheid te maken tussen wat werkelijk is en wat droom, wat vroeger is en wat nu – indachtig ook het motto van Augustinus dat tijd voorstelt als een ‘uitgestrektheid van de geest’ en dat aan de gedichten vooraf gaat. Het krijgt vorm in zinnen die soms de adem benemen:

 

Droom: ik duwde je maar je wou zelf, de stoel

kiepte, je rookte liggend, vloekte, spoog

neptanden, vuur, kots, bloed, ik stond erbij

keek ernaar Vuil kolerelijf ik hang je

boven de trap ik voer je gif ik snij –

 

Gerlachs gedichten volgen geen rechte weg, maar zijn als een tocht in het labyrint: ze hebben een verraderlijke helderheid, en toch kun je er maar al te makkelijk in verdwalen. Haar zinnen zijn als paden die ineens doodlopen of een haakse bocht maken. Er zijn tal van sporen in te ontdekken, ook naar eerder werk.

 

Eerder maakte ze ook enkele bundels met gedichten voor kinderen. In de ruime bloemlezing die ze uit haar werk samenstelde, Het gedicht gebeurt nu, stonden die kindergedichten gewoon tussen het volwassen werk. Bijna kinderlijk eenvoudige vragen klinken ook in Kluwen. Op zoek naar de werking van het geheugen worden in de reeks ‘In een jas’ spullen verzameld om te bewaren. Het geheugen als een volgepropte jas:

 

Niets wegdoen nooit iets verplaatsen.

 

Kun je dan niets meer vergeten

of is het alleen maar dit dat je niet meer vergeet

 

de ene kleur rood de ene manier met de bal?

 

Ergens doet het denken aan wat ook K. Schippers doet, het verzamelen van momenten, ogenschijnlijk onbelangrijke dingen die gedoemd zijn te worden vergeten. Maar waar het Schippers in eerste instantie gaat om het verzamelen zelf, legt Gerlach het proces onder het vergrootglas: wat wordt gezien, wat vervolgens bewaard en hoe mengt zich dat in het dagelijks leven.

‘[H]erinnering is niks hoe helder ook’, schrijft ze ergens. Dat neemt niet weg dat Gerlach aan de hand van (herinneringen aan) kleine, concrete gebeurtenissen, zo banaal als een blauwe nagel door de klap van een autodeur, leven en dood, zijn en niet meer zijn, haarscherp aanschouwelijk maakt.

 

 

Draad

 

Ik loop op de weg die zich doorknipt, mijn been leest het zwart.

Al het zien zien zien, waar is het goed voor,

wat is er dat ik zie dat ik niet weet,

wat ik niet zie vul ik in, ik merk geen verschil.

Ik loop op de weg die zich doorknipt, ik dek één oog af.

Wat ik weet hoef ik niet te vergeten,

je hals, je hand met het vismes, je zilveren oksel

of je gekreukte ooglid, je korrelige oogwit.

Ik zie de richting alsof ik een draad door een naald steek.

Knipt de weg zich in tweeën, loop ik door op geenbeen.

 

 

Eva Gerlach – Kluwen. De Arbeiderspers. 104 pagina’s, € 18,95 ISBN 978 90 295 7597 3

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Janita Mona. Onder het vergrootglas (Eva Gerlach)”

  1. Carina van der Walt :

    Beste Janita,
    vaak lees ik je recensies in de Trouw ‘s ochtends met de koffie. Ik vind deze recensies goed en doortastend. Ga vooral zo door. Toevallig heb ik ook een recensie over dezelfde bundel van Eva Gerlach geschreven voor de culturele website van mijn stad, Tilburg. Ik vind het een aanvullend perspectief. Neem me dus niet kwalijk dat ik deze link hieraan toevoeg.
    http://tilburgz.nl/2012/01/19/een-rode-draad-in-de-kluwen/
    Hartelijke groete, Carina
    (Eigenlijk schrijf ik in het Afrikaans op BUITEBLIK.)