Bert Bevers. Inspiratie

Het blijft me verbazen welk een wonderlijk verschijnsel inspiratie toch is. Ik zat vanochtend op de tram en zag in het voorbijgaan een aantal stratenmakers in de weer. Duidelijk werk. ‘s Ochtends beginnen die een opengewerkt stuk straat te beleggen met stenen. Naar ik aanneem een aantal waarvan tevoren berekend is dat een man die op een werkdag kan verwerken. Even verderop passeerde ik het Olympisch Stadion hier in Antwerpen, waar de voetballers van Beerschot AC aan het trainen waren. Ze deden er dingen met de bal die ze in de wedstrijd lang niet altijd uit de benen krijgen geschud, maar ze vóetbalden. En in kantoren en winkels alom hielden mensen zich bezig met afgesproken activiteiten waarvoor ze maandelijks een som gelds op hun bankrekening gestort krijgen. Hard labeur, maar dúidelijk labeur.

Daar zit je, nog wat nasnotterend van de krokusverkoudheid, als dichter zo’n beetje naar te kijken. Het opschrijfboekje is weliswaar immer paraat, maar al te vaak gebeurt het dat je dat doorbladert en bemerkt dat er toch wel een érg groot gat zit tussen de vorige notitie die je daarin maakte en de datum die je kriebelt met het idee dat daaronder nu toch echt weer iets onvergetelijks moet worden toevertrouwd aan het papier. En dat je dan in de gaten hebt dat je dat eigenlijk kunt doorstrepen voordat het er staat. Hoe zat het ook weer met die cyclus die je in gedachten kreeg toen je las dat in de Egyptische Vallei der Koningen de tombe van Nehmes Bastet (een van de weinigen die geen lid was van de koninklijke familie maar toch royaal ter aarde werd besteld) was teruggevonden? Waarom staat daar nog geen letter van op papier? Je weet het niet. Nooit zul je weten hoe ‘het’ werkt, maar je vertrouwt er na al die jaren op dat ‘het’ blijft komen.

En dan blader je ‘s avonds, met een lekkere kouwe borrel naast je, door een oud familiealbum en ineens lopen de bladzijden vol. Of het iets bruikbaars wordt weet je nog niet maar ineens ben je vertrokken, en weer in 1957. En in de Artilleriestraat in Bergen op Zoom, dat grensstadje nabij Vlaanderen waar je het levenslicht zag. De aanleiding: een foto waarop links dat huis staat waar je je oudste dromen droomde. Waar je des winters op het glas van de aangeslagen ruiten in de dakkapel met je vinger de eerste tekens trok, nog voordat je kon schrijven. Het huis van je oma en opa. Nummer 3. Het is er niet meer. Het moest gesloopt omdat er ineens mensen in automobielen wilden rijden. Achter het linkerraam bevond zich de huiskamer. Met achterin links de ouderwetsche bedstee waarin mijn oma en opa zich ‘s nachts opsloten. Achter de deur de gang (aan het einde waarvan rechts een steile trap naar de zolder leidde) die het benedenhuis overzichtelijk in tweeën deelde. Het raam rechts was van de woonkeuken. Met kolenkachel, met immer afbladderend behang (het was er vochtig), met Onze Lieve Vrouw aan de muur en gedroogde hespen en te malen Zwitserse kaas in de kast.

De muren daarnaast schermden het binnenplaatsje af. Ineens zie je de buitenplee weer voor je, het schuurtje waarin konijnen vet werden gemest, ruik je de geur van het hooi waarin ze ritselden, zie je hun snuffelende neusjes en mijn oma die er tegen de poort een doodslaat en laat besterven. Nu weet je best dat dergelijke praktijken destijds gewoon waren, maar vanaf het ogenblik dat je haar daar door het keukenraampje per ongeluk mee doende zag was ze voor jou plots een andere oma. Nu herinner je je ook dat ze binnengevlogen bijen (het kunnen ook wespen geweest zijn, maar dat doet er niet toe) ving in glazen potjes, die op de vensterbank omdraaide en er – hoezeer je ook betoogde dat ze die gevleugelden moest bevrijden – geen traan om liet dat ze daarin langzaam stikten….

Plots ruik je ook weer de blonde herder Max, waartegen je gewoon in slaap mocht vallen. Die lag dan voor de poort, met jou tussen zijn poten. Een braaf beest, dat wel zijn tanden ontblootte als een passant nog maar de neiging had je over de bol te willen aaien (vertelde men later toch). Daar lagen jullie dan samen, lekker in het zonnetje. Breed als een strand is de stoep, noteer je. En die malle straat moet je dan wel een rivier hebben geleken, met aan de verre overkant die Blokstallen. En daar gaat dan, denk ik toch, een gedicht van komen….

 

Bookmark and Share

Comments are closed.