Luuk Gruwez. Woord en vlees

Luuk Gruwez. Woord en vlees

Onderstaande recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

De meesten houden van hem, mede allicht vanwege de hoge herkenbaarheidsgraad van zijn gedichten. Een minderheid, met aan het hoofd de bekende Nederlandse recensent Piet Gerbrandy, maakt zijn poëzie met de grond gelijk. Ik behoor zonder twijfel tot het eerste kamp. Altijd heb ik mij thuis gevoeld in het werk van Charles Ducal, zozeer soms – en dat is het hoogste compliment – dat het mij een zekere smetvrees bezorgde. Het enige wat mij hinderde in mijn bewondering, was het feit dat zijn gedichten wel eens de indruk kunnen wekken te strak in het pak te zitten, met een voorspelbare dreun als gevolg. Maar dit weegt niet op tegen het feit dat de dichter absoluut tot de eredivisie van de Vlaamse poëzie behoort.  

Charles Ducal stond er meteen toen hij in 1987 debuteerde met de onvergetelijke bundel ‘Het huwelijk’. Voorpublicaties waren in het onvolprezen NWT verschenen, het tijdschrift waarvan Herman de Coninck, de man met het haast onfeilbare buikgevoel, de hoofdredacteur was. Meteen wist hij deze poëzie op haar juiste merites te beoordelen.  Het is gevaarlijk te debuteren met wat later een hoogtepunt in je oeuvre blijkt te zijn; mogelijk is ‘Het huwelijk’ namelijk nog steeds het beste was Ducal geschreven heeft. De gedichten ademen een zeer grote noodzakelijkheid. Zij behandelen die voor artistieke buitenstaanders misschien nauwelijks inleefbare problematiek: de driehoeksverhouding tussen een dichter, zijn vrouw en het woord dat hem tot maîtresse dient, met alle pijnlijke spanningen die hiervan het gevolg zijn.

Ook wanneer dat debuut er niet was geweest, zou Ducal met zijn overige, hoogstaande bundels tot het nec plus ultra van de dichtersgilde gerekend moeten worden. Ondanks zijn misschien nog steeds geldende bewondering voor de postmoderne collega’s van weleer heeft hij zich in de eigen praktijk nimmer iets van een normatieve poëtica aangetrokken. Hij is blijven dichten in de bekende sjablonen, zelden vies van een rijm of een halfrijm of strikt klassieke strofevorming. En voor zijn beeldvorming put hij nog altijd uit het vertrouwde religieus-culturele gedachtegoed, waartegen hij zich soms op blasfemische wijze afzet. Overigens is blasfemie in het werk van Ducal, die qua schuldbewustzijn perfect met Gerrit Achterberg kan wedijveren, zeer bevorderlijk voor de intensiteit van zijn erotische beleving. Hij is in zekere zin ook een zoon van Georges Bataille die uit de transgressie, de overtreding van het taboe, seksuele voldoening puurt. Par excellence is dat duidelijk in een bundel als ‘Toegedekt met een liedje’ uit 2009, een bundel die onder meer de pornografie als thema heeft. Nergens elders wordt het woord zo duidelijk vlees. Het genereert zelfs een  overkill die precies vanwege zijn overvloedige aanwezigheid op consumptieniveau zijn communicatieve waarde verliest: het is plotseling niets meer dan vlees.

In feite is het Ducal vanaf zijn eerste bundel te doen om een queeste naar de eigen identiteit. Hoe aristocratisch zijn pseudoniem ook klinkt, de omschrijving van zijn ik is een hachelijke onderneming. ‘De hertog en ik’ (titel van ‘s dichters tweede bundel) illustreert doeltreffend de moeilijke identificatie tussen – precies! – de hertog en de ikfiguur. Die ik laveert tussen Narcissus en een zichzelf wegcijferende altruïst, en zelfs tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde, opererend in een soms wat sadomasochistisch universum, gevoed met het oeridioom van het katholieke landbouwersgezin waaruit hij stamt en waarbij de familieleden, de veestapel en het gepersonifieerde landschap als archetypische figuren fungeren. God krijgt in deze poëzie nog een hoofdletter en ondanks al zijn religieuze weerbarstigheid reveleert Ducal zich misschien wel als Vlaanderens katholiekste dichter. Als geen ander bedient hij zich van de christelijke mythologie. ‘Kwam ik uit liefde?/ Of door een godsdienst bedacht,’ vraagt hij zich af.

Het resultaat van de zoektocht naar zijn ik resulteert niet in een bevredigend antwoord. Dat bewijst ook de mooie titel van deze verzamelbundel: ‘Alsof ik er haast ben’ stelt de eigen identiteit vanwege dat ‘alsof’ en dat ‘haast’ zeer ter discussie. Daarnaast kan die titel natuurlijk ironisch alluderen op een in het verschiet liggende dood (Kijk eens, ik heb al een Verzameld Werk. Hoeveel jaren nu nog te gaan?). Maar wie Ducal ook is en hoezeer hij begaan is met zijn ik, hij laat ons proeven van een cocktail van confronterend menselijk inzicht en mededogen. Onder meer daarom is hij als een van de weinigen in Vlaanderen een dichter die mij bij het nekvel grijpt. 

___________________

CHARLES DUCAL

Alsof ik er haast ben

Uitgeverij Atlas, 360 blz., 39,95 euro

 

 

UITGESTELD

 

Wees gerust, als ik sterf zal wel blijken

of ik je lief heb gehad.

Jij, de laatste naar wie ik zal kijken,

de laatste die mij ontsnapt.

 

Dan dwing ik je oor naar mijn mond

voor iets dat ik had moeten schrijven,

een zekerheid in gereutel vermomd.

Wees gerust, jij zal de slotzin krijgen.

 

Het zal ontroerend zijn, het einde,

de poging die alles herstelt.

Je bent mijn vrouw. Het zal wel blijken,

al wordt het een leven lang uitgesteld.

 

Charles Ducal

Bookmark and Share

Comments are closed.