Luuk Gruwez. Ik wil de hemel en ik wil de straat

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

IK WIL DE HEMEL EN IK WIL DE STRAAT

Menno Wigman is een dichter die vaak kletterende ruzie met zijn gedicht maakt. Misschien is die continue huwelijkscrisis een van de drijvende krachten achter zijn schrijven. Het ongenoegen over het eigen medium wordt uitgebreid tot een sombere kijk op de wereld van de literatuur. De uitvaart van het boek ligt in het verschiet. ‘We lezen om te leren hoe te leven,’ heet het. Maar in een ander gedicht lijdt de doorsnee mens, toch een potentieel lezer, aan een ‘reader’s block’ en mist hij de kracht om zich van kaft tot kaft te worstelen. De dichter krijgt zowaar medelijden met hem. Wigman is allerminst een missionaris van de poëzie en heeft in het geheel geen neiging haar zalig te verklaren. Hij voelt zich minstens zo vaak het slachtoffer als de dader van het woord en heeft begrip voor alle onbegrip dat dit bij de meeste mensen genereert.
Die spanning tussen de zogenaamd geletterde maar getormenteerde mens enerzijds en wie absoluut niets om geletterdheid geeft, maar blaakt van domme gezondheid anderzijds, lijkt een constante in deze gedichten, hoewel er al bij al niet eens zoveel verschil tussen eerstgenoemde en laatstgenoemde is. Wigman ontmaskert zowel de leegheid en de onbeduidendheid van de maatschappij als hij het recht op domheid claimt voor wie er deel van uitmaakt. Hij maakt een laatste geestig-droefgeestig dansje op de puinhoop van de beschaving, hier geëxpliciteerd in een Hollands decorum, gekenmerkt door postconsumentisme, decadentie, verval en afval. (In het gedicht ‘Vuilstort’ laat hij zijn Holland zowaar onder water lopen.) Hij schetst een buitenwereld waarvan de belangrijkste kentrek is dat hij te koop is, een agressieve buitenwereld die gemaakt lijkt voor de sloop en waarin zelfreflectie de doodsteek van het geluk is: ‘Ik las/ dat in het Paradijs geen spiegels waren.’ ‘Het is ons brein dat geen defecten duldt (…),’ vernemen wij elders. Wigman is daarbij wars van elke vorm van dogmatiek en schrijft een soort poëzie die, hoewel zeer modern, modieuze poëtica’s aan haar laars lapt en die, en passant opgemerkt, over het wonderlijke vermogen beschikt niet in de prijzen te vallen die jury’s als fuiken voor pseudodiepzinnigheid hebben klaargezet. Dit terwijl hij ongetwijfeld een van de meest eminente dichters van de Lage Landen is. Zijn recente bundel is daar een magnifiek bewijs van.
Maar waar is het hem dan het meest om te doen in zijn gedichten? Hij is, zoals uit het bovenstaande al bleek, geïnteresseerd in de relatie tussen massa en individu. Maar daarnaast, op een nog persoonlijker vlak, ligt meteen ook de associatie tussen poëtisch en erotisch genot klaar. Hij laat zijn bundel heel heftig beginnen, met veel ‘fuck’ in het motto van Johnny Rotten en met in het aanvangsgedicht een zowel hilarische als depressieve toespraak tot zijn  pik. Een gewaagde onderneming met een hoog grandguignolgehalte, maar hier volstrekt geloofwaardig. De copulatie geniet geen hoge waardering: ‘In elkaar, uit elkaar. De daad heet het./ Zo tuur je maar wat naar bewegend vlees./ Je veegt je zaad op en vergeet het.’ Toch is het een dichter van mannelijke kunne misschien vooral om dat seksuele genot te doen. Misschien is zijn gedicht een gesublimeerde vorm van penisverlenging en heeft zijn zanglust in eerste instantie een biologisch motief: dat van een lokmiddel of – minder op zijn janboerenfluitjes – een soort invitation à la danse.
Het stemt misschien niet vrolijk te beseffen dat zelfs een dichter weinig meer dan een biologisch samenraapsel is. Vooral niet wanneer die ernaar streeft ‘een woord voor alles waar geen woord voor is’ te vinden. Het verbaast dan ook niet dat Wigman er zich voortdurend van bewust is dat hij, hoe vaak hij de hemel verlangt, toch ook de straat toebehoort, ook al deprimeert die hem soms dermate dat hij een antidepressivum behoeft. Hij wordt namelijk voltijds met de ontluistering en niet met de luister geconfronteerd. Het lijkt wel of er een nieuwe pest is uitgebroken. Een massale vaccinatie tegen een anders haast zekere dood dringt zich op. ‘Creperen, nee, we zullen niet creperen,’ klinkt het, in een gedicht waarin de dag niet opengaat ‘als een gouden roos’, zoals in het beroemde gedicht van Herman Gorter, maar wel ‘als een geurloos dekbed’. (Wigman zou overigens ook geen bloemlezer zijn als in zijn poëzie niet af en toe een echo van klassiek geworden versregels weerklonk: van Rilke tot Campert e.a.)
Er is veel straat en er zijn veel plaatsomschrijvingen in deze bundel. Nooit eloges van geliefde plekken. De dichter maakt een inventaris op van wat deze eeuw zoal de revue is gepasseerd. Uiteraard vooral van de vaak nogal domme locaties die hem omringen en die een wurgende impact op hem hebben. Uit zijn gedichten blijkt voortdurend de pijnlijke relatie met het stadsbeeld dat hem omringt. Hij brengt niet alleen een karikatuur van de alom geaccepteerde, maar door hem versmade hedendaagsheid, maar reflecteert daarnaast op de historische gedrochtelijkheden van een vorige eeuw en de naweeën hiervan. Een gedicht als ‘Tweeduizendzoveel’ eindigt met het besef dat de hele geschiedenis niet anders te duiden is dan met het wel zeer holle cliché dat een mens niets leert.
Die mens! Om hem is het Wigman in de eerste plaats te doen, hoeveel aandacht hij hier ook aan diens habitat schenkt. Hij portretteert hem als iemand die erop aast zich een nieuw gezicht aan te schaffen, zeg maar een nieuwe identiteit, en die zich met een nieuwe jurk of een nieuw pak tevreden moet stellen. Uit onvermogen verandert hij zijn look in plaats van zijn wezen. Niet bepaald een doeltreffende remedie tegen de dood, maar alla: niet minder dan de schijn moet ook de menselijke essentie er ten slotte aan geloven. We zijn er en we zijn er niet, precies doordat in elk zijn het niet-zijn al prominent besloten ligt. ‘Soms voel je bijna dat je leeft,’ schrijft de dichter in een gelegenheidsgedicht voor de uitvaart van een nobele onbekende, een Engelsman die zich onder een brug in het Centraal Station van Amsterdam verhing. Wigman, zo vaak dichtend op de grens tussen bestaan en onbestaan, tussen het naamloze individu en de al even naamloze massa, is werkelijk de geknipte figuur om die anonieme doden met een waardig in memoriam te bedenken. Zijn gedichten zijn een vorm van taxidermie. In zijn universum zijn het de straten en de plekken die een naam hebben, de mens niet: die moet er van hem een krijgen. Niet letterlijk, natuurlijk, maar doordat hij een gedicht aan hem wijdt, ook als het om een mens van niemendal gaat. Dan misschien nog het meest. Want diens verlangen verschilt nauwelijks van dat van wie maatschappelijk aanzien geniet: ‘De mooiste idioot die ik ooit zag/ lag op zijn rug een heel heelal te zijn.’ Ook wie van de straat is, wil minstens de hemel.        
______________________________ 
MENNO WIGMAN
Mijn naam is Legioen
Prometheus, 68 blz., 14,95 euro

AANTAL STERREN:
**** 

Kamer 421

Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.

Ik ben al meer dan veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.

Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet haast zeker dat ze me nog kent.

Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.

Menno Wigman

Bookmark and Share

Comments are closed.