Luuk Gruwez. Een Vlaamse reus

Jozef Deleu

Deze tekst verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Weinig mensen hebben zoveel verstand van verjaren als Jozef Deleu. Niet alleen is hij op 20 april vijfenzeventig geworden, bovendien gaat Het Liegend Konijn, het tijdschrift waarvan hij de enige redacteur is, zijn tiende jaargang in. Als om deze jubilea nog meer luister toe te voegen publiceert hij nu ook ‘Overboord.’, een nieuwe dichtbundel, precies vijftig jaar na zijn debuut. Deleu is altijd al een dichter geweest die op onthechting was gesteld zonder dat hij daar canonieke eigenschappen aan wenste te verbinden. Ook nu excelleert hij opnieuw in het schaarse. Op Roland Jooris na is er in Vlaanderen niemand die zo weinig ingrediënten nodig heeft om een recept te bereiden. Hij mag dan al een gul mens zijn, hij is een dichter op dieet. Opmerkelijk alleen al is in dit verband de titel van zijn bundel. Hij heeft de leeftijd bereikt waarop het zaak is afstand te doen van wat overbodig is en al dat overbodige ook overboord te gooien, zoals een wielrenner zich in het zicht van de eindmeet nog snel ontdoet van een lege drinkbus en ander nutteloos gewicht om zo kansrijk mogelijk te kunnen finishen. Ongebruikelijk, maar significant is het feit dat de titel van zijn bundel eindigt op een punt. Alsof hij zeggen wil: tot hier en niet verder; ziehier mijn dichterlijke testament, alles wat eventueel nog volgen zal, behoort al tot de toegevoegde tijd van mijn bestaan. Het is een gedachte die nauwelijks verrast als je rekening houdt met de waslijst aan lichamelijke onfortuinlijkheden die hij sinds zijn pensioen heeft weten te overwinnen. Niet dat de dichter echt gekweld wordt door dat onvermijdelijk naderende einde. Hij blijkt overtuigd van een soort voortbestaan dat voortspruit uit zijn overtuiging dat in het heelal niets verloren gaat, dat daar zoiets bestaat als behoud van energie en dat er dus geen apert verschil tussen hiernumaals en hiernamaals is:

 

HEELAL

 

oneindig

sterven

de dingen

 

een voor een

gaan zij

ervan door

 

om verloren

of herboren

verder te bestaan.

 

Deleu is in de voorbije decennia als een van de weinige werkelijk gezaghebbende pleitbezorgers van de Nederlandstalige poëzie nooit iemand geweest die zwoer bij een exclusieve poëtica. Hij beleed altijd het credo van het ongeloof, het ongeloof in het alleenzaligmakende. Dit is een kwaliteit die hij, zolang hij hoofdredacteur van Ons Erfdeel was, ook uitstekend kon gebruiken, samen met iets wat hem allicht tot het eind van zijn dagen zal blijven karakterizeren: een zekere koppigheid en onverzettelijkheid die wel eens vaker het epitheton ‘West-Vlaams’ meekrijgt. Hier is een man die weet wat hij wil, die staat op zijn gelijk, maar die tegelijk een begenadigd luisteraar is en erop aandringt verschillende stemmen aan bod te laten komen, ook als die niet overeenstemmen met die van hem. Maar er is wel één belangrijke voorwaarde: kwaliteit, altijd kwaliteit. Zonder uitzondering is dit de premisse van de voormalige hoofdredacteur van Ons Erfdeel geweest, maar ook van de gerenommeerde bloemlezer van het Groot Verzenboek en van de organisator van literaire evenementen in binnen- en buitenland die nooit met kneuterigheid gepaard gingen en juist opvielen door hun grandeur. En nu is kwaliteit dus ook zijn verdienste als soloredacteur van Het Liegend Konijn, het poëzietijdschrift dat maar twee keer per jaar verschijnt, lijviger en lijviger lijkt te worden en daarmee een zekere portee verschaft aan wat decennium na decennium, dwars door zijn toenemende leeftijd heen, een jongensdroom van hem is gebleven: de poëzie en niets dan de poëzie, de poëzie in al haar vanzelfsprekendheid en eigenlijk ook zonder de obesitas van te veel academisch discours. Het gedicht mag zijn waardigheid aan zichzelf ontlenen. In de eerste plaats zelfs.

‘Buikgevoel’: in sommige omstandigheden is dit misschien een betwistbaar, zelfs gevaarlijk begrip, maar Deleu is er – in gunstige zin en als geen ander – mee uitgerust. Het jongste nummer van zijn tijdschrift levert daar opnieuw het bewijs van. Wij treffen er net zo goed voortreffelijk werk in aan van gevestigde namen – de opsomming is een beetje willekeurig en dus onrechtvaardig:  Peter Ghyssaert, Wiel Kusters, Leo Vroman en Miriam Van hee. En van jonger talent dat luistert naar namen als Bart De Block, Y.M. Dangre, Lies Van Gasse en  Jelmer van Lenteren.

Een blad voor de mond heeft Jozef Deleu nooit genomen. De contramine heeft hij evenmin geschuwd als de verbroedering. Hoeveel sympathie hij ook mag hebben voor Van Ostaijens liegend konijn, het is allicht toepasselijker hem, zelfs nu hij al vijfenzeventig is, leeftijd die doorgaans voor de verdwerging is gereserveerd, te omschrijven als een Vlaamse reus, met – getuige zijn jongste dichtbundel – een aanzienlijke dosis Zen. Want ook dit zit in hem haast paradoxaal naast elkaar: het schaarse en het vele. En het aardige is dat die twee nog altijd kameraadschappelijk met elkaar kunnen kunnen opschieten, alsof het net hun verschillen zijn die ze eensgezind maken.

 

JOZEF DELEU

Overboord. Gedichten

Uitgeverij Van Halewyck, Leuven – Van Gennep, Amsterdam, 79 blz., 50 euro

 

 

Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, april 2012, 1, Van Halewyck, Leuven – Van Gennep, Amsterdam, 264 blz., 20 euro

 

© Luuk Gruwez

Bookmark and Share

Comments are closed.