Onderhoud met Delphine Lecompte

 

 Delphine Lecompte. Foto: Johan Jacobs

Solank ek skryf, bestaan ek …

Delphine Lecompte gesels met Louis Esterhuizen oor haar digkuns

***

Delphine, jou debuutdigbundel, De dieren in mij, het in 2009 verskyn (by Uitgeverij De Contrabas) en is met die C. Buddingh-prys bekroon in die daaropvolgende jaar. Wat het hierdie vroeë erkenning vir jou as jong digter beteken?

De dieren in mij

De dieren in mij

Wel, ik vond het al een mirakel toen iemand (Chétien Breukers van Uitgeverij De Contrabas) mij contacteerde met de vraag of ik het niet zag zitten een bundel bij hem/ met hem samen te stellen? Natuurlijk zag ik dat zitten!!

Het is dus niet allemaal begonnen met die prijs; het is begonnen met het (hardnekkig) zenden van gedichten, massale hoeveelheden gedichten naar alle mogelijke literaire tijdschriften en ezines. Het is begonnen met afwijzingen, en publicaties in obscure poëzietijdschriften (obscuur poëzietijdschrift is een pleonasme?).

Een van de eerste ‘degelijke’ tijdschriften die mijn gedichten aanvaard heeft was De Brakke Hond. Chrétien was (en is) redactielid van De Hond. En zo ging de bal aan het rollen.

Maar inderdaad: toen ik genomineerd was voor de Buddingh’-prijs, en de prijs bovendien ook won, nam de interesse voor mijn gedichten, voor De Dieren In Mij toe. Heerlijk natuurlijk, feest!!

Sindsdien is het niet meer gestopt: het maniakale schrijven, het publiceren, het voordragen.

Kort na hierdie debuut in 2009 het jou tweede bundel, Verzonnen prooi, verskyn (in 2010). In welke mate is laasgenoemde ʼn voortskryf op jou debuut? Of anders gestel: in welke mate verskil dié twee opeenvolgende bundels van mekaar?

 

Verzonnen prooi

Verzonnen prooi

Verzonnen Prooi heb ik liever geschreven, nee niet liever, ik bedoel: de gedichten zijn veel onstuimiger, ongebreideld. Ik heb me totaal laten gaan, ik wilde me niet intomen, en had ik het gewild ik had het niet gekund; er was iets losgeslagen. Ik kon mezelf niet meer beheersen. Het was zo geestig om die tweede bundel te schrijven.

Nu ja: ik heb nooit echt een tweede bundel geschreven; ik heb gewoon een selectie gemaakt uit de (letterlijk) honderden gedichten die hier liggen.

Ik herschrijf niets, ik keer niet terug naar gedichten. Een gedicht is geslaagd, of het wordt een gedrocht. Natuurlijk zijn er thema’s die terugkeren. Maar mijn thema’s breiden zich uit…

Ik kan niet sober zijn in mijn gedichten. Ik kan niet redelijk zijn met mijn gedichten.

Ze worden beter, denk ik soms. Ze blijven in hetzelfde bedje ziek, vrees ik soms.

Maar ik probeer andere dingen uit; nieuwe thema’s, strakkere vormen, verticaliteit, rijm, weg van mijzelf, tederheid.

Ja, ik schrijf nog altijd ik-gedichten. Maar die ‘ik’ is in mijn meest recente gedichten soms mannelijk; een vader, een mijnwerker, een sponzenverkoper, een schapenscheerder, een verwende prins, een suïcidale touwslager enzovoort.

Ik experimenteer.

Natuurlijk schrijf ik nog altijd autobiografische gedichten: om aan mijzelf te ontsnappen schrijf ik over mijzelf.

Stapels gedichten en ik ben het overzicht kwijt.

Ik ben manisch en gulzig.

Ik wil alles, ik wil over alles schrijven: de mijn en de maan, de vogels en de krokodillen, de griffioen en de touwslager, de koetsier en de broedermoordenaar, leverkanker en zelfkastijding, incontinentiemateriaal en raketten, carnaval en linzensoep, het slachthuis, de gevangenis, Napoleon, de middeleeuwen, de zee, Boston, brand en vissoep.

Het is eindeloos, het is hopeloos, het is zalig, het is uitputtend.

De gedachtevluchten gaan met mij aan de haal, ik kan het niet stutten/stelpen/stoppen.

‘s Nachts schrijf ik voortdurend in mijn schriftje, ellenlange pagina’s vol geraaskal. Overdag blijken dan twee zinnen bruikbaar. Helaas gebruik ik er soms meer, haha!!

Ik kan heel moeilijk schrappen. Is het ijdelheid? Wellicht.

By geleentheid het jy jou skryfwerk soos volg beskryf: “Ik probeer te schrijven zoals Tom Waits zou schrijven, moest hij een Belgische vrouw zijn met het Nederlands als moedertaal, een Belgische vrouw met kleptomanische neigingen, pernicieuze therapeuten, perverse buren, een moeder als nemesis, een graatmager lijf en een dubieuze grijns. Om nog maar te zwijgen van haar fabelzucht.” Hierdie tong-in-die-kies-benadering is eweneens in jou gedigte te bespeur danksy die humor wat dit van soveel ander onderskei. Hoe belangrik is hierdie element van persoonlike ‘debunking’ vir jou?

Ik weet niet of het een probleem is, maar ik slaag er niet in mijzelf ernstig te nemen; soms neem ik mij voor serieuzer en gewichtiger te zijn.. Tien minuten na mijn voornemen kap ik er meestal mee. Het is zinloos, het is zinloos hoogdravend te zijn.

Dus ja: zelfspot komt voor in mijn gedichten. Ik ben soms genadeloos voor mijzelf, maar ook voor mijn ouders, en die nemen mij dat niet in dank af. Ik hou van mijn ouders, maar het zijn dankbare personages om de draak mee te steken. Gisteren was het Moederdag, ik heb er een gedicht over geschreven. Het is niet sentimenteel, en het rijmt niet:

 

Het is Moederdag en geen enkel kind plukt de dag

 

Het is Moederdag en mijn moeder zwijgt

Over mijn geschramde gezicht

Ze eet een koude braadworst met haar handen

Nochtans ligt er bestek

Links het mes zoals het hoort

En de vork met de tanden in het tafelblad.

 

Het is ongehoord dat ik niets zeg

Wanneer mijn moeder huilt

Ze stopt haar tranen en vraagt:

‘Waarom troost je me niet?’

Er ligt nog een stompje braadworst op haar bord

Ik vraag of ik het mag opeten.

 

Ik fiets terug naar huis

Daar woon ik alleen

Omdat ik het verdien

Staand naast een opgezette meeuw

Die geringd is en er stuurs uitziet

Stel ik mij een foto voor.

 

De foto is niet romantisch

Het is een röntgenfoto van mijn maag

Er ligt een stompje op de bodem

Het is de wijsvinger van mijn moeder

Hij wijst niet naar mijn hart.

 

Het is Moederdag en ik ging met lege handen

Ik slaap zonder waterangst

Omdat ik geen kinderen heb

Dromend van een kameel

Die mijn moeder draagt

Zwanger in mijn communiekledij

Word ik zwetend wakker

Het is maar koorts.

Ik heb het gedicht aan mijn moeder gegeven. Ze zei: ‘Je had beter kersenbonbons gekocht!’ Ze heeft gelijk; het is niet mijn sterkste gedicht.

Delphine

Delphine en haar boogskutter

Wie ik ook regelmatig opvoer in mijn gedichten is ‘De oude kruisboogschutter’. Hij is letterlijk een oude kruisboogschutter: hij is 79 en iedere dinsdag gaat hij naar de Sint Joris-gilde in Brugge om te kruisboogschieten.  Hij is mijn muze, hij leest mijn gedichten niet. Wanneer ik hem een gedicht toon zegt hij meestal: ‘ja, dat is poëzie.’ Hij bedoelt: het rijmt niet, dus is het poëzie. Hij is fier op mijn succes(jes), ik vermoed dat hij het onbegrijpelijk (en onverdiend) vindt, maar dat heeft geen belang.

Het is wel goed dat ik een partner heb die met heel praktische, aardse zaken bezig is: muurverf, vijzen, geld, vogelvoer, benzine, bloed…

Hij zorgt voor zijn gezondheid, en voor de mijne. Hij wast mijn kleren, hij koopt linzen en platte kaas voor mij. Hij houdt mij in leven. Dat klinkt melodramatisch, maar het is niet overdreven.

Dankzij hem/met hem heb ik al heel wat angsten overwonnen en neuroses de kop ingedrukt.

Aangesien jy jouself so gereeld in jou gedigte in skryf, kan ʼn mens nie anders as om ook meer persoonlike vrae tot jou te rig nie … Hoe outobiografies is jou gedigte, byvoorbeeld?

Zoals ik hierboven al aangaf: ontstellend autobiografisch, mijn gedichten zijn ondraaglijk persoonlijk. Ondraaglijk voor mijn familieleden, en voor mijn dokters. Ik kan het niet laten mijzelf weg te geven. Ik probeer te bedaren en zuiniger te zijn met mijn rauwe bekentenissen, maar telkens opnieuw keer ik terug naar de tuin van mijn theatrale moeder, naar de zolderkamer van mijn grimmige vader, naar de keuken van mijn wereldvreemde grootmoeder, Naar de morsigheid, de onelegante omzwervingen, de antipathieke chaos, de radeloze rusteloosheid (rusteloze radeloosheid?) van mijzelf…

Het spijt me, maar het is sterker dan mezelf. Ik wil niet kwetsen, ik ben noch kwaadaardig noch rancuneus.

Het spijt me dus niet genoeg.

Ik schrijf ook vaak over mijn zielige en vruchteloze pogingen om aan een eerlijke job te geraken. En wanneer ik zeg ‘eerlijk’ dan denk ik aan handenarbeid: schapen scheren of paarden beslaan.

Een werk dat iedere dag af is, maar tegelijkertijd nooit af is, want iedere dag begint het gewoon opnieuw: een nieuw schaap, een ander paard. Als ik het zo beschrijf klinkt het als de straf van een Griekse god!

Vroeger heb ik rekken aangevuld in een supermarkt, ik stond op een ladder tussen de melkflessen, het was niet freudiaans. Ik deed dat werk graag, maar ze hebben mij ontslaan omdat ik ‘te traag en te dromerig’ was. En omdat ik soms (flarden van) gedichten neerschreef in het notitieboekje dat ik altijd bij me had, in mijn schort.

Nogtans verval jou gedigte nooit in wat jy beskryf as ‘zelfmedelijden’ nie. Neem byvoorbeeld onderstaande vers wat een van my gunstelingverse uit jou pen is:

Ademloos

Toen je auto de tunnel indook
hielden we onze adem in
dat hadden we zo afgesproken
nog voor ik het licht aan het einde zag
had ik al opgegeven en driemaal mijn longen gevuld
maar zonder jouw adem naast mij
voelde het alsof ze werden gevuld met natte aarde.

Ademloos bereiken we de parking
van een vijandige meubelketen
waar je gerookte zalm op Zweeds brood kan eten
terwijl je kinderen of die van een ander
verdrinken in een bad van ballen
of simpelweg worden meegelokt.

Je kocht een sofa voor je dochter
die alle mysterie uit haar leven heeft gebannen
en dus werkt aan winsten op varkenskoteletten
het werd een beige sofa met rode spikkels
waar je geen aanstoot aan kan nemen.

Op de terugweg werden we bevangen
door smog en weemoed
jij door smog
ik door beide.

Vertel ons ietsie meer omtrent hierdie gedig? Hoe het dit ontstaan, byvoorbeeld? En die dreigende ondertoon van verlies: waarop dui dit binne konteks van hierdie gedig?

Dat is grappig: het is een anekdote die ik heb gestolen van Omer (de oude kruisboogschutter): toen hij nog getrouwd was en zijn kinderen acht en tien waren gingen ze ieder jaar op reis naar Duitsland.

Om Duitsland te bereiken moest de auto door een tunnel, en papa Omer had dus een ‘spelletje’ bedacht: de adem inhouden in de tunnel.

Maar hij bekende mij dat hij nooit zijn adem had ingehouden, de snoodaard!

Het verhaal is blijven hangen: adem-tunnel-dood-banaliteit, wat een cocktail, het gedicht heeft zichzelf geschreven; de associaties zijn niet van de lucht (pun intended): verstikking, het onderaardse, zwaarmoedigheid, de bedrieglijke luchtigheid van het reizen. Reizen is nooit gemakkelijk, het is altijd lastig, angstaanjagend, of op z’n minst stresserend.

Bevrijding en wedergeboorte enerzijds, de smog en weemoed anderzijds. En daartussen de spanning tussen het platte materialisme en de perverse volwassenen die (misschien) kinderen aan het beloeren zijn.

Maar wanneer ik schrijf is het nooit zo beredeneerd. Het gedicht ontstaat, en pas achteraf ontwaar ik (soms) een rode draad, patronen. Helaas gebeurt het even vaak dat een gedicht voorgoed onsamenhangend, hysterisch en onbegrijpelijk blijft!!

Luidens die onderhoud wat Jooris Van Hulle met jou gevoer het vir Poëziekrant (Jaargang 34, Nummer 7-8: November/Desember 2010) onderskei  jy veral twee elemente wat jou “redding” en jou “genezing” was omrede jy daaroor kon skryf, naamlik jou voorkoms en jou ouers. Ervaar jy die maak van gedigte as deel van ʼn terapeutiese proses?

Poëziekrant

Poëziekrant

Ik weet het niet: mijn gedichten hebben mij genezen, ja. Maar vaak maken ze mij nerveus/ opgejaagd, ze houden mij wakker ‘s nachts.

Het zal allemaal wel vreselijk romantisch of aanstellerig klinken, maar ik ben werkelijk voortdurend koortsig aan het schrijven. Het is bijna manisch. Het is vaak geraaskal. Soms wenste ik dat het wat stiller werd in mijn kop; alles is zo scherp en hard. Het is zalig én gekmakend!

Niets is flou. En alle beelden roepen nieuwe beelden op. Ik kan mijzelf niet afsluiten. Alles maakt een indruk. Iedereen is indrukwekkend/afgrijselijk/een gedicht waard(ig).

Hoe moet ik ooit tot rust komen? Wil ik wel bedaren? Nee!! Natuurlijk niet.

Toch zou ik graag een beetje consequenter en evenwichtiger zijn. Net genoeg evenwicht om zonder brokken naar de markt te gaan, of naar een doopfeest of een huwelijk, bijvoorbeeld.

In die onderhoud wat Guido Hogenbirk met jou gevoer het vir Meander (geplaas op 6 Oktober 2007) reageer jy soos volg op die vraag hoekom jy skryf en vir wie jy skryf: “Ik schrijf voor zielsverwanten, voor mensen die poëzie belangrijker vinden dan kranten, voor mensen die heel vroeg opstaan zodat ze tijd genoeg hebben om na hun ontbijt nog tien gedichten van hun lievelingsdichter te lezen. Het doel van schrijven is het schrijven zelf, maar dat is natuurlijk onzin. Soms droom ik van erkenning. Ik heb altijd geschreven. Toen ik nog maar vijf woorden had, was ik al aan het experimenteren met de volgorde van die woorden. Niet schrijven druist in tegen mijn natuur. Dat klinkt misschien hoogdravend, maar zo is het.” Hierdie uitspraak was natuurlik enkele jare vóór jou debuut en die erkenning wat jy daarmee gekry het, gemaak. Is jou siening hierbo nog steeds van krag, of het daar mettertyd ʼn mate van ontnugtering by jou ingetree?

Geen ontnuchtering, oh nee, integendeel: hoe dieper ik wroet/hoe meer ik bezig ben met het schrijven en lezen van gedichten hoe meer ik geloof in de kracht van goede gedichten. Ja, zo mag het er staan, ik meen het: het is niet mogelijk een goed gedicht te overschatten.

Ik word nog iedere dag ontroerd en geprikkeld door nieuwe en dode dichters.

Er liggen altijd minstens twee dichtbundels op mijn keukentafel, en vijf op mijn nachtkastje. Zonder dichtbundels voel ik mij misselijk, zeeziek. Dan heb ik heimwee. Dan voel ik mij alsof mijn waterkraan is afgesloten. Alsof mijn strotklepje niet goed werkt. Alsof mijn lievelingspotsbode dood is! Aiaiai, het wordt gênant, ik zal maar zwijgen..

In dieselfde onderhoud noem jy dat jy vantevore selfsensuur toegepas het ten opsigte van jou Nederlandstalige skryfwerk (in teenstelling tot jou Engelse publikasies), maar dat jy dit “nu niet meer (doen)”. Uiteraard wonder ʼn mens hoekom en wat hierdie oper ingesteldheid ten opsigte van jou digwerk veroorsaak het?

Ik vraag mij dat ook af. Het heeft grotendeels te maken met de (gefnuikte) literaire ambities van mijn ouders en grootouders; zij hebben allen geprobeerd gedichten en romans te schrijven, and they failed miserably …

Ik dacht: als ik schrijf dan moet het meteen raak zijn (wat een hoogmoed!), geen mediocriteit, geen lauwe sonnetten, geen halfhartige verhaaltjes… Ik had de lat vreselijk hoog gelegd, en ik heb mij heel lang onzeker gevoeld over mijn schrijfsels.

Maar uiteindelijk heb ik het dus toch aangedurfd: gedichten in mijn moedertaal, wat een lef! Hahaha…

Plots lukte het gewoon. Of misschien was ik het gewoon beu mijzelf in te houden, mijzelf te saboteren. Nu durf ik alles te schrijven. Ik ben vrij in mijn gedichten. Het is geestig om vrij te zijn. Ik wil het nooit meer afgeven, die vrijheid.

Onlangs het jy met groot sukses tydens die Nacht van de poëzie in Brugge opgetree. Hoe gemaklik is jy met hierdie openbare optredes en watter rol speel dit in die Nederlands/Vlaamse digkuns? Daar is soveel sulke geleenthede … Bestaan daar nie ʼn gevaar van ‘overexposure’ nie?!

Ja, het is waar: ik draag vaak en graag voor (ondanks mijn legendarische verlegenheid), en soms voel ik mij een hansworst wanneer ik daar sta. Dan denk ik: ‘Wat een ijdelheid, wat een onnozelheid!! Hier sta je weer je gedichtjes af te rammelen, terwijl je beter thuis zou zwoegen aan nieuwe (betere) gedichten..’

Maar ik voer geen kunstjes op; ik ben geen zeeleeuw die een bal op zijn snoet laat stuiteren. Ik sta daar als mijzelf, ik ben bloot, ik verkoop geen show. Ik probeer de mensen te bereiken. Ik hoop dat de mensen zin krijgen om mij te lezen na een voordracht. Ik wil gelezen worden. Ik wil begrepen worden, en ik wil nog altijd geadopteerd worden. Ik voel mij nog altijd bang en verweesd.

Het is al gebeurd dat ik ergens mocht voordragen, en dat ik mij die dag erg somber voelde, dan vertel ik dat aan de toehoorders. Ik krijg de indruk dat mijn eerlijkheid wordt geapprecieerd.

Iedere voordracht is anders; natuurlijk ben ik een deel van mijn argeloosheid kwijt, wat spijtig is. Ik kan niet iedere keer doen alsof het allemaal nieuw is, maar het is toch iedere keer opnieuw bijzonder. Het went nooit. Ik ben altijd zenuwachtig (en chagrijnig) net vóór ik mag optreden. Het vergt veel van mij, maar meestal krijg ik heel veel terug.

Delphine, vertel ons ietsie oor jou werkswyse? Wanneer skryf jy, byvoorbeeld? Skryf jy daagliks en maak jy ʼn vers in een sitting klaar, of werk jy lank aan ʼn gedig?

Het zal wellicht hoogdravend klinken, maar ik word pas mens wanneer ik gedichten kan schrijven. In het dagelijkse leven maak ik mijzelf wijs dat ik alles doe in functie van de poëzie. Op die manier kan ik vrede sluiten met bureaucratie, ziekte en verveling.

Bijvoorbeeld: wanneer ik voedsel moet kopen. Dan is het geen tijdverspilling geweest wanneer ik er achteraf een gedicht over kan schrijven. Een activiteit wordt waardevol wanneer ik er een gedicht over kan schrijven.

Dus schrijf ik voortdurend gedichten. En op die manier worden alle sollicitatiegesprekken, al het wachten in bushokjes, al het dwangmatige stelen, de ziekelijke voedselvergaring, de doktersbezoeken, de vulgaire schuttersfeesten, het rusteloze getrappel in badkuipen, al de zondagen op golfbrekers met asielhonden en/of familieleden,interessant.

Ik schrijf nu veel korte verhalen, maar hoezeer ik daar ook van geniet, ik beschouw het als een soort training; ik warm mij op voor het echte werk, voor mijn gedichten.

Het is een koorts, een dwang, een dringendheid.

Ik haat mijzelf na een gedrochtelijk gedicht, maar ik ben niet verliefd op mijzelf na een ‘degelijk’ gedicht, dat nu ook weer niet!

‘s Nachts schrijf ik flarden neer in het notaboekje dat op mijn nachtkastje ligt: een honderdste van die flarden vindt een weg naar mijn gedichten.

Overdag schrijf ik voortdurend, ik herschrijf niet graag, ik keer zelden terug naar gedichten. Het overzicht ben ik kwijt. De gedichten stapelen zich op, en dan denk ik: de redacteurs moeten maar uitmaken welke gedichten min of meer aanvaardbaar zijn!

Ik weet soms meteen dat een gedicht goed is, maar heel vaak weet ik het pas maanden later, en soms blijf ik twijfelen.

De zelftwijfel wordt almaar intenser. Hoe vaker ik te horen krijg dat mijn gedichten goed zijn, hoe banger ik word in herhaling te vallen. Ik wil goede gedichten schrijven: geen trucjes, geen behaagzucht, geen gratuite humor. Ik wil ontroeren en irriteren. Verwarring zaaien. En nooit op veilig spelen.

Ik vrees dat ik soms te vlug tevreden ben over mijn gedichten en/of het geduld niet heb om terug te keren naar oude(re) gedichten. Iedere dag maak ik tabula rasa, en ik ben maar zo goed als mijn laatste gedicht. Was mijn laatste gedicht een misbaksel dan voel ik mij een loser, een sukkel, een marginaal, een prutser, een verwerpelijke vrouw, een monster.

Vir ons in die ander halfrond is dit nie maklik om altyd die onderstrominge tussen die Nederlandse en Vlaamse digkunste te snap nie … Ervaar jy as Vlaamse digter dat daar ʼn mate van bevoorregting ten opsigte van Nederlandse digters bestaan ten opsigte van publikasie en blootstelling in die media, byvoorbeeld?

Oei. Dat is een moeilijke vraag. Wat ik vaak te horen krijg van Nederlandse redacteurs en lezers is dat ze de typische Vlaamse zinswendingen en woorden zo charmant vinden.

Omgekeerd gebeurt het toch veel minder dat een Vlaamse redacteur zich lyrisch uitlaat over een Nederlandse dichter. Misschien heeft het ook te maken met de aard van de Vlaming (en nu ben ik verschrikkelijk aan het veralgemenen): wanneer een Vlaming iemand bewondert zal hij dat minder rap van de daken schreeuwen. Wij zijn meer ingetogen dan Nederlanders, bedeesder, minder onstuimig. Er zijn natuurlijk (en gelukkig) uitzonderingen.

Dus ja: Het voelt als een warm bad wanneer ik in Nederland mag voordragen; als Vlaming heb je daar toch een streepje voor, heb ik de indruk.

Is daar van jou mede-digters wat jy as ʼn gunstelingdigter kan uitsonder? En hoekom juis dié digter?

Er zijn veel dichters die ik mateloos bewonder: Menno Wigman, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Reinout Verbeke, Ellen Deckwitz, Toon Tellegen, Gerrit Komrij, Stefan Hertmans, Els Moors,Luuk Gruwez, Koenraad Goudeseune… Wie ik vergeet moet mij maar vergeven!

Tegenwoordig ben ik geobsedeerd door Wiel Kusters. Ik dacht dat hij een dood genie was, maar hij leeft! Hij is een levend genie. Ik heb eergisteren een ode aan hem geschreven:

Mijn, mijn wat?

 

Er was eens een mijnwerker op bezoek

Mijn grootvader had mij op voorhand verboden

Het woord ‘kelder’ te gebruiken

Duikboot mocht, long mocht ook

Schacht liever niet.

 

De mijnwerker was onherkenbaar

Hij was heel mans

Ik wilde verliefd worden

Hij bleef slapen

Op het nachtkastje in de gastenkamer lag een kruis.

 

Het was een leeg kruis

Ik bedoel: er hing geen Jezus aan

Mijn grootvader was devoter dan de mijnwerker

Maar de mijnwerker was religieuzer dan ik

Ik was verliefd op zijn onderaardse verleden.

 

‘s Nachts hoorde ik hem niet hoesten

Ik had verwacht dat hij me zou wakker maken

Op mijn nachtkastje lag een zakdoek

Zonder initialen was het de enige zakdoek

Die ik mocht gebruiken om pitten in te spuwen.

 

Toen ik de gastenkamer binnenstapte

Zat de mijnwerker in kleermakerszit op het hoofdkussen

Ik gaf hem de zakdoek

Hij depte mijn voorhoofd

Maar ik was niet koortsig.

 

Aan de ontbijttafel vroeg mijn grootvader

Of ik de melk wilde halen

Ik zei: ‘De melk staat in de kelder.’

De mijnwerker huiverde niet

Mijn grootvader gaf mij toch maar een oorvijg

Om zeker te zijn.

 

De mijnwerker vertrok om 13u stipt

En toen hij vermoedelijk op de trein zat

Kreeg ik een tweede oorvijg

Om nog zekerder te zijn.

 

Jy woon natuurlik in Brugge; ʼn stad wat myns insiens herinner aan ʼn poskaartdroom. In welke mate beïnvloed jou omgewing (en ook die Wes-Vlaamse landskap en kultuur) jou skryfwerk? Of verkies jy om jou daarvan te distansieer? (Ek vra hierdie vraag omrede ek selde ʼn omgewingsbewustheid in Nederlandstalige poësie aantref; iets wat weer besonder prominent is in die Afrikaanse digkuns.)

Ik steek graag en veel West-Vlaamse landschappen in mijn gedichten, maar ik zal bijna nooit een plaatsnaam gebruiken. Het is zeker aanwezig: de kust, de polders, de kapelletjes, madonna’s, kerken, klei, haver, bieten, het ploeteren, en de kneuterigheid…

Anderzijds maak ik het graag kapot: dan introduceer ik surrealistische beelden en burleske personages, ik wil toch graag dat mijn gedichten aan het plaatselijke ontsnappen!

Brugge is schattig, ja. Maar ik zal nooit een gelegenheidsgedicht schrijven over mijn stad. Of mijn omgeving bewieroken in een gedicht.

Ik ben meer bezig met de boer dan met de oogst. Meer gefascineerd door de sinistere hoefsmeden dan door de fotogenieke kantwerksters.

Ik vind de gekweldheid van de koetsier interessant, maar zijn routineuze rondleiding kan mij gestolen worden, begrijp je?!

As Vlaamse digter is jy een van die meer gereelde en gewaardeerde bydraers tot Versindaba. Wat beteken hierdie addisionele blootstelling vir jou as digter? Lees jy soms wel die bydraes van ander digters; meer spesifiek die Afrikaanse digters?

Ik lees ongeveer alles wat op Versindaba verschijnt; onlangs was ik erg gepakt door het gedicht ‘anatomieles’ van Gilbert Gibson.

Verder hou ik altijd van de gedichten van Hans du Plessis, en ik geloof dat ik een fan ben van Ronelda Kamfer.

Ook Marlise Joubert kan me altijd bekoren, zowel plastisch als poëtisch.

Breyten Breytenbach is al langer een idool; toen ik puber was las ik hem al!

Geoordeel aan jou indrukwekkende produktiwiteit vermoed ʼn mens dat daar dalk binnekort ʼn volgende bundel op die rakke gaan wees … Vertel ons waarmee jy tans besig is?

Blinde gedichtenHa, dat klopt! Mijn vierde dichtbundel is alweer klaar. En De Bezige Bij Antwerpen wil hem publiceren!! Maar niet onmiddellijk, helaas..

Mijn derde bundel Blinde gedichten is nog maar pas verschenen (eind januari), en dus moet ik nu een jaar op mijn tanden bijten.

Ik klaag niet hoor; ik ben blij dat ik bij zo’n grote (en integere) uitgeverij beland ben. En ik heb (opnieuw) een redacteur die mij carte blanche geeft: alles mag; hij neemt mijn gedichten aan zoals ik ze hem opstuur. Hij eist niet dat ik stukken herschrijf. Bedankt, Harold Polis!

Dankie vir die geleentheid om met jou oor jou besonderse digkuns te kon gesels, Delphine. By wyse van groet plaas ek graag nog een van my gunstelingverse hieronder.

En baie dankie, Louis, vir die vrage; hulle het mij disnis en vrolik gemaak!

 

Schuldig aan geloof

 

Twee weken geleden ben ik ongelovig opgestaan

De zonsopgang was nochtans de mooiste

Sinds de derde mooiste

Jij lag naast mij te dromen

Van en over dubbelzinnige voorzetsels

Ik schreef ZONSONDERGANG in blokletters op je voorhoofd

Maar nog bleef ik ongelovig.

 

Toen ik niet meer geloofde

Voelde ik mij schuldig tegenover god

Jij zat dagen naast mij

Zonder krant zag je er intelligenter uit

Ik las de horoscoop van mijn moeder luidop

Opdat het zou uitkomen

Verscheurde ik hemden en at lavendel.

 

De horoscoop van mijn moeder vervalt

Ze wordt groter en blijft heidens

Wanneer ik zes dagen goddeloos ben

Bezoek ik haar met een handdoek

Die functioneel en niet symbolisch is

De kleur is geel

Haar initialen S.D. in het rood.

 

Nu ik opnieuw gelovig ben

Voel ik mij schuldig tegenover mijn vader

Hij zit nachten op mijn vensterbank

Zonder gitaar ziet hij er onmenselijk uit

Ik lees zijn horoscoop zachtjes

Zodat hij niet weet hoeveel te verwachten.

 

© Delphine Lecompte. 2012 (Brugge)

 

Delphine Lecompte. Foto: Johan Jacobs

Delphine Lecompte. Foto: Johan Jacobs

 BEKENDSTELLINGSNOTA:

 

“Mijn naam is Delphine Lecompte en ik woon in Brugge. Mijn eerste dichtbundel De Dieren in Mij werd bekroond met de Buddingh’-prijs 2010 en met de prijs voor de letterkunde 2011 van de provincie West-Vlaanderen. Mijn tweede bundel heet Verzonnen Prooi. Ik schrijf iedere dag, alles moet wijken voor het schrijven. Soms vergeet ik te eten en te kuisen. Mijn ruiten zijn vuil. Ik ben hopeloos verknocht aan een oude kruisboogschutter. Hij zorgt goed voor mij, hij koopt platte kaas en sponzen voor mij.

 

In Januari 2012 verschijn de bundel Blinde gedichten bij De Bezige Bij in Antwerpen.”

 

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

2 Kommentare op “Onderhoud met Delphine Lecompte”

  1. Marlise Joubert :

    Wat ‘n heerlike onderhoud! Ek het dit nou baie geniet. Dankie Delphine!

  2. Pieter Wolmarans :

    Delphine, drie dinge tref my in hierdie onderhoud met jou:
    1) jou allesoorheersende skrywersdrif,
    2) die besonderse verhouding wat tussen jou en jou kruisboogskutter bestaan en
    3) die feit dat jy klaarblyklik goed op hoogte bly met die Afrikaanse digkuns.
    Jou slotopmerking van “disnis en vrolik” vat alles mooi saam; behalwe dat dit ons as lesers is wat vrolik gemaak word deur die kykie wat JY vir ons gee op jou wêreld.
    Dankie daarvoor.
    Pieter