Janita Monna. Even doordacht als subtiel

Menno Wigman – Mijn naam is Legioen

 

Mijn naam is legioen.

Mijn naam is legioen.

Menno Wigman waste als puber ooit een jonge Jehova’s getuige stevig de oren. De jongen, gekomen om zijn leeftijdgenoot van het evangelie te overtuigen, kreeg in plaats daarvan een pleidooi voor de poëzie van J.C. Bloem van de jonge dichter. ‘Ik liet me niet uit de Bijbel voorlezen’.

Er zal desondanks toch een moment geweest zijn waarop Wigman de Bijbel is gaan lezen: de titel van zijn nieuwste bundel is een rechtstreekse verwijzing naar een ontmoeting van een man die bezeten was door een ‘onreine geest’ en Jezus.

Nu heeft Wigman een fascinatie voor de relatie tussen poëzie en waanzin en voor waanzinnige schrijvers. Een paar jaar geleden verbleef hij geruime tijd als writer in residence in een psychiatrisch ziekenhuis in Den Dolder. Hij schreef erover in Het gesticht.

Het verblijf tussen psychisch gestoorden ging hem echter niet in de koude kleren zitten, sterker hij kreeg een writer’s block: hij perste in 2006 nog een kleine Gedichtendagbundel uit, daarna bleef het zes jaar stil. Tot nu.

Mijn naam is Legioen, waarin het Gedichtendagbundeltje bijna integraal is opgenomen, opent met een opdracht ‘Tot mijn pik’, waarvan de openingsregels de sombere stemming meteen raak verwoorden:

 

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,

gewapend glas en Seroxat.

 

(…)

 

Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,

je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe

van wie je ziedend van je zaad ontdoet.

 

In Mijn naam is Legioen hangt niet alleen de penis slap, het is somberheid alom. Alles gaat bergafwaarts, verliest zijn schoonheid en glans: zelfs ontspannen lopen door de stad is er niet meer bij: ‘De goede handel die ons lichaam was/ vervloog en bijna elke winkelruit/ verspreekt zich en beledigt nu je hoofd.’

Niet dat Wigmans poëzie ooit louter blijmoedig was – er was altijd al een hang naar de zelfkant, naar vuil, lelijkheid, decadentie, te jong gestorven kunstenaars -, maar in deze nieuwe gedichten moet ook het dichten zelf van ver komen. Hier spreekt een dichter die zo lijkt te walgen van woorden dat hij zelfs medelijden met zijn eigen lezers heeft:

 

(…) Geef toch toe

dat je steeds stroever woorden aan elkaar reeg,

toen moe werd van je delicate geest,

 

toen medelijden met de lezer kreeg.

 

Die oversombere, die overweemoedige toon, die zich in de eerste afdeling voornamelijk tot de dichter zelf beperkt, weerspiegelt zich in de tweede reeks in de omgeving, in gedichten met weinig opgewekte titels als ‘Onder de reactor’, ‘Vuilstort’ of ‘Massavaccinatie’. Ze spelen zich af in modepaleizen als H&M of in Tuincentrum Osdorp, waar de treurnis niet minder groot is. Maar leven en gedachten van het winkelend publiek blijken niet wezenlijk anders dan die van de kunstenaar/ dichter, een constatering die even ontstellend als geruststellend is.

Het verband in de bundel is losjes, maar toch lijkt langzaam de blik van iets onder de navel van de dichter weer naar buiten te verschuiven. Een blikwisseling die wordt ingezet als in het gedicht ‘Oud-West’ (over de verschillende godsdiensten onder de bevolkingsgroepen in de Amsterdamse wijk), de zon de kamer van de dichter komt ingerold. Er is weer oog voor de wereld, onder andere in enkele mooie gedichten voor eenzaam gestorvenen. De laatste reeks eindigt zelfs met een gedicht getiteld ‘Promesse de Bonheur’: en het bed dat in het openingsvers nog leeg was is weer gevuld.

Dat Wigman door en voor de poëzie leeft is aan alles in deze gedichten voelbaar. Van de moeizame ontstaansgeschiedenis van sommige ervan, (hij schreef erover in een essay) blijkt – behalve in de inhoud – uiteindelijk niets op papier. Elke regel loopt soepel, het rijm is even doordacht als subtiel, en somber of niet, Wigman verzint het dan toch maar weer om ‘huisraad’ ‘jichtig’ te noemen, en hij moffelt nauwelijks merkbaar toch ook weer een paar woorden Bloem in dat vers dat zich afspeelt in de H&M.

Ofwel, als er iets is dat hij met Mijn naam is Legioen laat zien, dan is het dat hij in de afgelopen zes jaar het schrijven niet is verleerd.

 

Tot mijn pik

 

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,

gewapend glas en Seroxat. Zocht ik

een woord voor alles waar geen woord voor is,

ik geef het op. Je bent een zak, een zak

ben je dat je ook nu weer dicht. En jij,

 

mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?

Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,

je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe

van wie je ziedend van je zaad ontdoet.

 

Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt

als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.

Oktober. Veertig en geen bed werkt over.

 

Ooit wist je alles van genot. Iets met

voltage, wijsheid – ach mijn sleutel tot.

 

 

Menno Wigman – Mijn naam is Legioen. Prometheus, 2012, 68 pagina’s, 14,95 euro, ISBN 9789044619836

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.