Janita Monna. Een buitenissige tentoonstelling

Delphine Lecompte – Blinde gedichten

Blinde gedichten

Blinde gedichten

Goed, de flaptekst op een boek moet je nooit te letterlijk nemen, maar vreemd is het wel als iemands derde bundel ‘de eerste ambitieuze, voldragen worp’ wordt genoemd. En vreemd is dat zeker wanneer die woorden staan op de nieuwe (derde) bundel van Delphine Lecompte die voor haar ‘eerste worp’ de C. Buddingh’-prijs kreeg. Meteen was ze met haar eigenzinnig associatieve en wrang geestige gedichten ook publiekslieveling op bijvoorbeeld de Nacht van de Poëzie. Een klein meisje met een schuchter voorkomen, maar in haar taal ‘one of the guys’.

Nu is Blinde gedichten in omvang drie keer zo dik als het debuut, en de bundel heeft ook een sterke, verhalende samenhang. Er spreekt iemand die greep probeert te krijgen op de onnavolgbare gangen van het leven, en die daarbij een wankele houvast vindt bij terugkerende personages als een geliefde in de gedaante van een oude kruisboogschutter, een vader ‘die nooit een god geweest’ is, en een moeder die leutert over ‘de nukken van haar haardroger’. Het product van deze ouders heeft hoe dan ook een weinig verheffend zelfbeeld: ‘Mijn geboorte was moeilijk voor mijn vader/ Plots moest hij een naam bedenken/ Voor een eczeemgedrocht’. De familiebanden die uit deze gedichten naar voren komen zijn zacht uitgedrukt weinig traditioneel. Herinneringen die bovendrijven, zoals aan strandwandelingen die met een sisser afliepen, zijn op zijn minst ongewoon. 125 pagina’s tragische absurditeit, en een wrange, kolderieke en wreedaardige humor die in de verte wel doet denken aan het werk van de Rus Daniil Charms. Net als in zijn verhalen en gedichten, buitelt ook de poëzie van Lecompte van het ene groteske beeld in een volgend krankzinnig voorval. Ieder regel, iedere zin is daarbij haast een verhaal op zich.

Ik red een trui van onverslijtbaarheid
Terwijl de oude kruisboogschutter zijn horoscoop leest
Onder de luifel van een Chinees buffetrestaurant
Gesloten vrouwen passeren hem
Hij probeert ze te charmeren
Met een grap over kannibalistische chimpansees
Het werkt bij een van hen
De lelijkste met de mooiste naam.

Lecomptes associaties zijn zeldzaam origineel. Kon ze in haar debuut nog wel de schijn wekken dat het louter om een de harde grap te doen was, hier hebben de kronkels een duidelijke functie: de grove taal en de nietsontziende geestigheid zijn als een masker waarachter ongemak in intermenselijke relaties, angst, pijn en verdriet schuilgaat. Zoals een obsessie met eten – peperkoek, oliebollen, lasagne en vlees –, en evengoed met niet-eten: ‘De tijd is mannelijker dan mijn moeder/ Die altijd te laat is om mij te zien eten’. De moeizame omgang met mannen, die (seksueel) nogal eens gewelddadig eindigt ‘Die Ierse toerist wilde mij gisteren vermoorden/ Ik wil daar niet te lang bij stilstaan’. En kleptomanie en zakkenrollerij zijn aan de orde van de dag: ‘Gisteren heb ik ook nog een afatische vrouw gewassen/ En een culinair tijdschrift gestolen’.
Ook al schieten haar regels als bliksemschichten heen en weer, Lecompte slaagt er steeds in om de grillige vertakkingen van haar zinnen binnen een zeker kader te houden. Haar korte regels, met weinig interpunctie, hebben veelal dezelfde zinsbouw, met woorden die stevig op hun poten staan. In die opbouw zit iets monotoons, wat maakt dat ook de gekkigheid op zeker moment nauwelijks nog opzienbarend is. Daarbij de vraag waar in deze bundel de poëzie ophoudt en het verhaal begint: want al hebben deze Blinde gedichten de aanblik van poëzie, de stijl neigt naar het columnachtige proza van Grunberg; ultrakorte verhaaltjes als aanduiding zou niet misstaan. Het zal niet toevallig zijn dat de term ook wordt gebruikt: ‘Hij denkt dat ik bluf/ wanneer ik zeg dat ik pyromanie en veertien kortverhalen in mij draag’. Het lezen van die ‘kortverhalen’ van Lecompte is als kijken naar een freakshow waarin mensen met de vreemdste afwijkingen rond dwalen. Een buitenissige tentoonstelling die een weinig flatteus licht werpt op een ongewone wereld.

1 Mens volstaat om menselijk te blijven
Ik wil hem vragen: vraag mij ten huwelijk
Zijn hoofd ligt op mijn kloppende streek
Hij kan mij alles vergeven
Verscheurde broeken, verknipte dassen
Een ivoren alligator in de etalage van de lommerdhouder.

Er kleeft bloed aan de alligator
Maar mijn geliefde is zuiver
Gerehabiliteerd en een medaille rijker
Hij schudt zijn lokken wanneer
Ik opschep over mijn streken
Tegen mooie jonge mannen
Die mijn ondergang beramen

Zijn haar is grijs
En zijn intelligentie gestold
Na de Congo, de dood van zijn kameleon
Ik wil hem zeggen: je bent een wijze oude man
Maar hij zou weten dat het paaien is.

Hij wil geen oude wijze ex-koloniaal zijn
Ongetrouwd streelt hij mijn zolen
Ik kijk naar zijn krimpende delen
En probeer mijn vandalisme te verschonen.

Delphine Lecompte – Blinde gedichten. De Bezige Bij, 127 blz., 19,95 euro, ISBN 9789085423454.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.