Janita Monna. Het besef van vergankelijkheid

Mark Strand – Bijna onzichtbaar/Almost invisible

 

Bijna Onzichtbaar

Een jaar of tien geleden was Mark Strand te gast in Rotterdam voor een lezing ter verdediging van de poëzie. Hij toonde met zijn verhaal vooral de onmogelijkheid om precies te vatten wát poëzie nu eigenlijk is. Dat wat poëzie tot poëzie maakt uiteindelijk ongrijpbaar is, en onbevattelijk, zoals een nachtelijke sterrenhemel dat is.
Mark Strand is een van de belangrijke dichters van de Verenigde Staten. Niet alleen was hij Poet Laureate, ook ontving hij meerdere prijzen (waaronder de Pulitzer). In Nederland werd hij begin jaren ’80 met een bescheiden bloemlezing geïntroduceerd door dichter H.C. ten Berge. Zes jaar geleden verscheen er een ruimere selectie uit zijn werk, Gedichten eten/Eating poetry, van het vertalersduo Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Zij hebben nu ook Bijna onzichtbaar/ Almost invisible vertaald. Een bijzonder project, aldus de vertalers in het korte nawoord, waarbij schrijven en vertalen zo’n beetje gelijk op gingen. Bijna onzichtbaar bevat een serie prozateksten waarvan de dichter zelf de kwaliteit maar moeilijk kon inschatten: Jansma en Van den Akker overtuigden Strand van de waarde van deze ‘proems’, korte, min of meer verhalende, maar nauwelijks grijpbare stukjes.
In de allereerste tekst bezoekt een bankier het bordeel van blinde vrouwen. De bankier doet zich voor als herder, maar de blinde hoer gelooft hem niet: is een ieder wel wie hij zich voorwend te zijn? Die vraag speelt niet alleen in deze korte tekst. Hij komt elders terug als een echtgenoot zijn vrouw meedeelt dat zij hem niet kent:
‘Na een huwelijk van jaren staat hij aan het voeteneind/ van het bed en vertelt zijn vrouw dat ze hem nooit zal/ kennen, dat er bij alles wat hij zegt meer is wat hij niet/ zegt, achter ieder uitgesproken woord een ander woord schuilt/ en daarachter nog honderden.’
Toch is de echtgenote allesbehalve ontstemd door deze mededeling, want ze roept opgewonden uit: ‘Niets is zaliger/ voor mij dan dat je nauwelijks bestaat zoals je bent.’ Die uitroep raakt het wezen van Strands idee van poëzie, en is in tal van variaties in deze bundel te vinden. Zijn vertellinkjes zijn even licht als duister. Licht zijn ze vooral in hun taal, in hun nonchalante Engels, met een wat deinende muzikaliteit. Door Jansma en Van den Akker (beiden dichter) tot soepel Nederlands gekneed in vertalingen die tamelijk dicht bij het origineel blijven. Al is er wel iets van die muzikaliteit verloren gegaan: Strands nauwelijks nadrukkelijke alliteraties bijvoorbeeld, bleken niet overal te handhaven; daarbij klinkt de dichter in het Nederlands nu en dan ook wat plechtiger dan in het Engels, en wordt het alledaagsere ‘babies breath’ vertaald in ‘de adem van een boreling’.
Duister is vooral de inhoud die achter die taal schuilgaat. Nogal eens spelen de gedichten zich af in ‘melkwitte mistgangen’, in de schemering, vlak voor het slapen, en zelfs in een gedicht getiteld ‘Helder in het september licht’ is niks eigenlijk helder: ‘Misschien schreeuwt hij wel, maar omdat we niets horen, is dat onwaarschijnlijk.’
In al hun schemerigheid zijn de ‘proems’ doortrokken van het besef van vergankelijkheid, van het aangezicht van de alomtegenwoordige dood – het thema is niet nieuw in Strands gedichten. In een van de vertellingen is het de Minister van Cultuur die wacht op het niets, als was het een langverwachte geliefde die thuiskomt, ‘en op de bekende afwezige toon zegt: “Schat, je weet dat ik je altijd al wilde behagen en nu ben ik hier. Sterker: ik blijf voor altijd.’
Maar de passiviteit die in veel van deze ‘proems’ huist – weinig verzet tegen wat onafwendbaar is, nergens stemverheffing – maakt deze teksten tegelijk wat flets. Schouderophalend lees je verder. Pas als Strand het surreële de boventoon laat voeren, krijgen zijn prozagedichten een scherp kantje, zoals Horace, het lijk, dat verwachtte weer op te staan, maar dood bleef. Of het stel uit ‘Gedonder in Pocatello’, die hun drama verstoppen in twee kleine regels: ‘”Ik ben thuis,” zei de man. “Niet alweer,” zei de vrouw.’

Als een blad op de wind

Na het werk, waar niemand hem kent en zijn baan zelfs
hem een raadsel is, gaat hij door zwak verlichte straten en
donkere stegen naar zijn kamer achter in een verloederde
flat aan de andere kant van de stad. Het is winter en hij
loopt gebogen met zijn kin in zijn kraag. In zijn kamer gaat
hij aan een tafeltje zitten en kijkt naar het boek dat open
voor hem ligt. De bladzijden zijn leeg en daarom kan hij er
uren naar staren.

Mark Strand – Bijna onzichtbaar/ Almost invisible. Vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Van Oorschot, 17,50 euro, ISBN 9789028241824, 107 pagina’s.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.