Janita Monna. Een aangename, nuchtere melancholie

Ingmar Heytze – Ademhalen onder de maan

Ademhalen onder de maan

Ademhalen onder de maan

In de top 100 van meest voorkomende poëzieonderwerpen staat ‘liefde’ waarschijnlijk op de eerste plaats, op de voet gevolgd door ‘dood’. Ergens onder aan die lijst bungelt het onderwerp ‘wasstraat’ [carwash], zo het er al een plaats in heeft. Het zou mij zelfs niet verbazen als Ingmar Heytze de eerste dichter was die een gedicht aan het fenomeen wijdde.

Er is geen leven in de wasstraat, maar beweging –
afgezien van de man in overall die het geld aannam,
het spoor wees en in de wolken verdween.

Terwijl blauwe borstels draaiend als ‘derwisjen’ de bolide wassen, overdenkt de autobestuurder het bestaan. Typerend voor Heytze is dat hij zo’n wat melig onderwerp tot een beslist serieus gedicht weet te smeden – met een vage notie aan Leopold -, waarin die wasstraat bijna de functie van een ‘rite de passage’ krijgt.
Het vers staat in Ademhalen onder de maan, Heytzes tiende dichtbundel alweer. Hij geldt al jaren als Utrechts stadsdichter, eerder officieus, thans officieel. En het is mede dankzij hem dat de podiumpoëzie zo’n vlucht nam.
Heytze is een dichter van de klare en tegelijk subtiele taal. Allermenselijkste onderwerpen – maar al te vaak ook de liefde – plaats hij in een nét ander daglicht. Regels die bij anderen makkelijk tot kitsch worden, houden bij hem een aangename, nuchtere melancholie. Sentiment is hij met een paar trefzekere woorden altijd een stap voor en romantische droombeelden kortwiekt hij voor ze hun vleugels al te wijd uitslaan.
Toch hebben de jaren ook op Heytze vat. Kolderieke persiflages zoals die op Koplands ‘Jonge sla’ tref je niet meer in deze nieuwe bundel. In Ademhalen onder de maan klinkt het besef dat het leven maar één keer geleefd kan worden. En dat het in plaats van zus ook zo had kunnen lopen, dat er in plaats van dit, ook een ander leven mogelijk was geweest.

Op elk moment in ons bestaan dat je een munt
opgooide, strootjes trok of een aftelrijmpje deed,
had alles anders kunnen gaan. Ik wil niet zeggen
dat we het toernooi dan wél hadden gewonnen,
(…)

Ademhalen onder de maan telt een enkel gedicht waarin Heytze het gemak waarmee de taal hem lijkt te komen aanwaaien té gemakzuchtig inzet. Maar over het algemeen overheerst in zijn poëzie begripvol mededogen. Net als Menno Wigman heeft ook Heytze een speciale antenne voor mensen aan wie iets scheef zit. Hij dicht over een meisje dat dankzij haar antidepressiva weer ruimtereizen kan maken, en kruipt in het lichaam van iemand wiens geheugen, en daarmee zijn wereld, langzaam is weggevaagd. Het tragische beeld dat het gedicht besluit, vat helder en licht de argwaan van veel psychische patiënten.

‘vanochtend moffelde/ een zuster, heb ik zelf gezien, de laatste/ restjes van mijn wereld in haar binnenzak.’

In deze tuin
Ik heb de wereld lang vertrouwd, mevrouw.
Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd
en alles was wel vreemd maar toch bekend
genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik het
vaak een half uur later weer en anders deed
het er niet toe. Er waren nog de grote vragen
waarop niemand ooit een antwoord krijgt.
Die keek ik aan van dag tot dag.

Wat bleef ik goedgelovig toen mijn hoofd
werd leeggestolen, recht achter mijn ogen,
vreemde foto’s op de kast, wie ik nog kende
was verdwenen. Berg uw camera maar
op, u bent te laat; vanochtend moffelde
een zuster, heb ik zelf gezien, de laatste
restjes van mijn wereld in haar binnenzak.

Ingmar Heytze – Ademhalen onder de maan. Podium, 15 euro, 51 pagina’s, ISBN 9789057594649.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.