Janita Monna. Bij vlagen overrompelend

Pieter Boskma – Mensenhand

 

Mensenhand

Mensenhand

De negentiende-eeuwse Willem Kloos mocht dan een God in het diepst van zijn gedachten zijn, ruim een eeuw later is de God die Pieter Boskma ten tonele voert ‘zo stoned als een aap’. Deze God verschijnt in Mensenhand, Boskma’s eerste bundel sinds Doodsbloei (2010), het monument in verzen voor zijn overleden vrouw: een ontroerende en gewaagde gang naar het dodenrijk, balancerend op het dunne koord dat leven scheidt van dood.
Decor van Mensenhand is een ‘witte zwarte dag noch nacht’, de wereld na de ‘Apocalyps’, een kernramp of andere tragedie. Al het leven is verdwenen en wat over is, zijn slechts woekerende planten en ‘Nederlandse hennep/ helemaal tot aan de hemelpoort’. Een wereld die begint op de jongste dag, de dag waarop God besluit het anders aan te pakken en niet opnieuw een man naar zijn evenbeeld schept, maar een vrouw: ‘Misschien kon zij het beter/ dan hijzelf’.
Aldus komt ‘Hera’ in het verhaal, als godin beschermvrouwe van huwelijkse trouw. En haar gedachten worden werkelijkheid, en zij schept een man en doet liefde ontstaan. Maar Hera is meer dan een personage in het verhaal van de nieuwe wereld. Zij is ook de schepper van het verhaal, de stem van de dichter: ‘misschien was dat het dan:/ het redden van het sterfelijke/ in het eeuwige woord van de dichter,/ misschien was in dat poëtenwoord/ (…) een waardige, zuivere schepping mogelijk ‘.
Hera’s woorden ademen de geest van Boskma’s eerdere werk, en de bundel is als een vervolg op Doodsbloei te lezen: maar waar dat dommelde aan de oevers van de dood, is Mensenhand een verzoening met het leven. ‘Ik sta weer op scherp, leg mijn maskers as en trek/ mijn antennes uit de dood.’
Het is een bij vlagen overrompelend, lyrische verzoening, want Boskma is een van de weinige zangers in de Nederlandse poëzie. Mensenhand bezingt, gelijk Gorters ‘Mei’, de lente, en bovenal de liefde (‘Wat was alles waard/ als je het niet in liefde deelde’) met even verheven als onvervalst platte erotiek.
Zijn poëzie kent weelderige uithalen, is kleurrijk – vooral in z’n natuurbeschrijvingen: ‘het naar witgoud zwemende helmgras’ – is ritmisch meeslepend en onverbloemd geestig, maar heeft evengoed ronduit lelijke en volstrekt prozaïsche passages. ‘Bokkensprongen in de overvolle modderpoel/ die Nederlandse dichtkunst heet’, typeert hij het zelf ergens tamelijk adequaat.
Doodsbloei was bijna een ‘poëtische pageturner’, Mensenhand zakt na de baldadig hooggestemde eerste afdeling in. Het mist de verhalende kracht en de onontkoombaarheid van zijn voorganger. Het mist iets van de ingetogen melancholie van vroeger werk. ‘[G]uitig opengestulpte kutjes’ komen zonder al te dwingende noodzaak voorbij – hoe geestig gevonden ook.

Over niets wil ik het nog hebben dan de liefde.
Een diepgaande gedachte, een onthutsende filosofie:
niets waard zonder de liefde.
Een imposant schilderij, een dichtwerk zonder weerga:
het verwaait als stof zonder liefde.
Hele religies, politieke en economische systemen:
nergens zonder de liefde.
Zelfs dit strand hier, het schuim dat in de stille wedstrijd
met het zand verstuift, de meeuwen die in de storm
hun vaste positie aan de hemel weten te bewaren,
de wandelaars die het aanzien, het verre deinende
grijze water, de verre donkere tranende ogen:
niets zonder de liefde.
O, zonder de liefde,
o, leven zonder liefde,
o, hopeloze, hulpeloze en onmogelijke liefde,
hartgrondige liefde, verloren liefde, over niets
kan men het hebben zonder liefde.

Pieter Boskma – Mensenhand. Prometheus, 136 blz. 19,95, ISBN 978 90 446 20573.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.