Janita Monna. Een geloofwaardig verhaal

Willem Jan Otten – De vlek

 

De vlek

De vlek

Probeer je De vlek samen te vatten, dan krijg je een vertelling die voor een soap nog te dol is. Toch even kort de hoofdpersonen en hun wederwaardigheden: er is een tweeling, Ton en Abel Kans, ze hebben elkaar jaren niet gezien. Abel is de aan lager wal geraakte, legendarische jazz saxofonist Aby Chance die te horen krijgt dat hij een ‘vlek’ op zijn longen heeft. Ton is bewaker in het ziekenhuis waar Abel zijn doodsvonnis krijgt. We komen priester Josefsson tegen die werkzaam is in het ziekenhuis, daarnaast een jonge, onzekere oncoloog Benjamin, en een zwangere radiologe Nana die ontdekt dat zij de röntgenfoto’s van de longen van Aby Chance en de priester verwisseld heeft. En er is opnieuw Ton die zijn broer moet zoeken om hem te vertellen dat hij toch niet dood zal gaan.
Het lijkt onzinnig om een ‘dichtbundel’ zo samen te vatten, en ik zou dat ook achterwege hebben gelaten als De vlek – Ottens tweede boek in een jaar – een reguliere dichtbundel was.
Dichter, romancier, essayist en toneelschrijver Willem Jan Otten brengt in De vlek enkele van zijn talenten samen: hij schreef een ‘roman in versvorm’, zoals Poesjkin dat deed met ‘Jevgeni Onegin’, een werk waarover Otten ooit in een essay schreef: ‘Hoe beknopter de samenvatting ervan, des te raadselachtiger.’ Iets soortgelijks geldt voor De vlek. Een samenvatting mag fantastisch klinken en de zijsporen die worden bewandeld zijn minstens zo mysterieus, maar Otten maakt het – zoals het een goede romancier betaamt – tot een geloofwaardig verhaal.
Verteller is Ton Kans, een moderne God, alwetend dankzij zijn camera’s waarop hij de bewegingen in het ziekenhuis gadeslaat.

Ik volg bewegingen, die van mensen,
vooral de schuldbewuste, een hok
met twintig monitoren, soms grijp ik in.

Opvallend verschil met bijvoorbeeld Ottens vorige bundel Gerichte gedichten (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2012) is dat God minder een ‘aangeroepene’ is, maar een vanzelfsprekende plaats heeft in de personages, nu eens in Ton de bewaker als zijn ‘plaatsvervanger’ op aarde, dan in de jonge arts Benjamin wiens kwaliteiten als lotsbeschikker ter discussie staan:

‘is hij/ uit het juiste hout voor ik was god’

Ton laat zijn personages als marionetten bewegen, geeft voldoende informatie om het verhaal in gang te houden, en waar zijn kennis hiaten vertoont, tast ook de lezer soms in het duister.
Als regieaanwijzingen levert hij commentaar op de tekst zelf: ‘Zo God Z’n onbestaanbaarheid/ boven alle twijfel is verheven/ dan is een priester overbodig,/ ook in dit verhaal.’ De wijze waarop Otten in een eenvoudige zin als deze tegelijk een religieuze en een verhaaltechnische kwestie aan de kaak stelt, is intrigerend. Want in De vlek lijkt de rol van priester Jozefsson allerminst overbodig: is hij niet gekomen om te sterven voor de ander?
Zoals altijd bij Otten is ook De vlek een veellagig geheel waarin eerder werk resoneert, naast Bijbelse verhalen, literaire of filmische liefdes. In deze roman in verzen klinkt ook de jazz, en met name die van John Coltrane: de langere verzen zijn als solo’s van Coltrane, hét voorbeeld van Aby Chance.
Is de vorm, het wit, het ritme van De vlek vooral poëzie, het gebruik van flashbacks bijvoorbeeld is geleend van de roman: idyllisch en onheilspellend zijn Tons herinneringen aan de tijd dat de broertjes Kans negen jaar oud waren en ze samen in een duinpan een zwevende kiekendief zagen. Het was diezelfde omtrek die Abel op de röntgen zag.
Of hem op tijd verteld wordt dat de ‘kiekendief’ op de longen iemand anders toebehoort, is ook te horen bij monde van Otten zelf, want bij de bundel is een cd gevoegd waarop hij zijn vertelling voorleest.
Er is de laatste tijd veel grensverkeer tussen poëzie en proza. Willem Jan Otten voegt daar met De vlek een hedendaags en religieus verhaal in verzen over leven, dood, toeval en schuld aan toe. Puntgaaf en intrigerend, vorm en inhoud stevig aan elkaar geklonken.

Van wie de vlek is

Hij heette Abel,
en wij waren broer,
gekropen uit één ei.
We deelden alle genen
geen voor geen
maar onze levens niet.
Abel was de jongste,
drie kwartier na mij.
We zijn intens gaan schelen.
Wilden niet meer lijken,
kaatsten in één ruimte
als ballen biljart vaneen.
Van ons twee was Abel
het kind dat aandacht ving
zoals een spiegel evenbeeld.
Verwisseld zijn wij nooit.
(…)

Willem Jan Otten – De vlek, een vertelling (met cd), G.A. van Oorschot, prijs, 93 bladzijden, ISBN 978 90 28 24 1770.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.