Janita Monna. Akkers, bomen en water

Ellen Deckwitz – De steen vreest mij

De steen vreest mij

De steen vreest mij

Het zou me niet verbazen als de strijd om de Buddingh’-prijs (de Nederlandse Ingrid Jonker prijs) dit jaar is gegaan tussen de overleden Jeroen Mettes en Ellen Deckwitz. Oneerlijke concurrentie, tussen een dode dichter van wie het oeuvre dus compleet is, en een springlevende die aan het begin van haar carrière staat.

Omdat de prijs voor het beste debuut ook een aanmoediging is, kan ik me voorstellen dat mede om die reden de keuze uiteindelijk op Deckwitz viel. Al is daarmee allerminst gezegd dat De steen vreest mij, zoals Deckwitz’ debuut heet, onterecht bekroond is. Wie haar ooit op een podium zag, weet hoe ze een zaal kan bespelen – ze was niet voor niets nationaal slamkampioen; op een vergelijkbare manier trekt ze met deze gedichten op papier de lezer in een verhaal.

De steen vreest mij is een ietwat sureële vertelling in dichtvorm, met in de hoofdrollen een broertje, ik, een grootvader en een moeder. Decor: akkers, bomen en water. Tijd: vroeger en nu. Het is een vertelling over moeizame familierelaties, die ongemakkelijk aanvoelt. Een deel van die ongemakkelijkheid wordt veroorzaakt doordat Deckwitz haar camera nét niet op scherp stelt, maar als het ware langs de gebeurtenissen filmt. De gedichten blijven daardoor ook ietwat ongrijpbaar. Moeder heeft een drankprobleem, althans zo zou je regels als deze kunnen lezen: ‘Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),/ ze drinkt al jaren onder de tafel.’ Vooral grootvader heeft een prominente plaats in het familieverhaal. Een man met een oorlogsverleden?: ‘Een documentaire over jappen die zich doodwerken/ en mijn grootvader zet het geluid/ harder.’ Iets van dat verleden werkt door in het heden, want waar grootvader is, is dreiging in de vorm van een geweer of angstaanjagende verhaaltjes. Tot hij doodgaat en slechts zijn tandfloss achterblijft: ‘met een stukje draad buiten/ het doosje. Uitgedroogde tong/ van aan boom vastgebonden hond.’

Beeldende zinnen als deze vloeien als vanzelf uit Deckwitz’ pen, lijkt het. Geen opgelegde beeldenrijkheid, maar een natuurlijke, met sprookjesachtige elementen: ‘Langs wateraders hangt een raam in de lucht’ – dat is nog eens iets anders dan: regen stroomt over het dakraam.

Behalve grootvader, gaan ook de andere familieleden langzaam te gronde. ‘Mijn broertje hoest kluiten op,/ zinkt terug’, klinkt het in het slotgedicht. Zo makkelijk als de familie in taal tot leven wordt gewekt, is zij na de laatste punt in het niets verdwenen. Of, in het wit van de pagina.

Een rijk jaar voor debuten was 2011 niet, maar het heeft in ieder geval het veelzijdige talent Deckwitz opgeleverd. Want zo dreigend als de gedichten in De steen vreest mij kan zijn, zo geestig en cabaretesk en theatraal kan de dichteres op een podium zijn. Benieuwd hoeveel kanten het talent nog meer heeft.

 

Ik graaf mijn broertje op. Zijn bekken

eleganter dan een lelie en beenderbleek

de vingers, poten van grondig bint.

 

Mijn donkere koten die in de aarde

rondwaren, woelend

tot een weldoorvoede regenworm

de kieren van een kleine teen doorsnijdt.

 

Mijn broertje hoest kluiten op,

zinkt terug wel ik kan er tegenop

graven, de steen vreest mij

omdat ik hem stuk zal slaan.

 

Ellen Deckwitz – De steen vrees mij. Nijgh & Van Ditmar, 2011, 48 blz. ISBN 978903889140, 14,95 euro

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Bookmark and Share

Comments are closed.