Janita Monna. Een hoog soortelijk gewicht

F. Harmsen van Beek – In goed en kwaad

In goed en kwaad

In goed en kwaad

Gerard van het Reve was een van de huisvrienden, en met Remco Campert was ze enkele jaren getrouwd: er was een tijd dat het literaire leven zich goeddeels afspeelde rond Fritzi Harmsen van Beek. Op landgoed Jagtlust in Blaricum, waar zij vanaf 1954 woonde, kwam iedereen samen, om te drinken, te praten en vooral ook te genieten van Fritzi’s gezelschap. De wilde jaren duurden zo ongeveer tot 1971. Toen verhuisde de schrijfster naar Groningen en tot aan haar dood in 2009 trad ze nauwelijks nog in de publiciteit.

En dat terwijl recensenten als een blok voor haar vielen toen ze in 1965 debuteerde met Geachte muizenpoot en andere gedichten. Hoogst originele gedichten waren het inderdaad, deze ‘raadselrijmen’, ‘onduidelijke correspondentie’, en andere ‘onbegrijpelijke teksten’. Bijvoorbeeld dit inmiddels haast klassiek geworden vers voor haar neerslachtige poes, dat opent met de regels:
‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping// is U de zachte nacht bevallen, hebben de on/ deugende, geheimzinnige planten naar behoren// gegeurd’.

Al geruime tijd was het werk van Harmsen van Beek alleen antiquarisch te krijgen, dus is het een groot genoegen dat nu In goed en kwaad is uitgebracht, alle poëzie, proza en zelfs tekeningen in een band. Een verzameld werk met een hoog soortelijk gewicht.

Ze maakte twee dichtbundels, tien jaar na haar debuut verscheen Kus of ik schrijf. In de tussenliggende tijd publiceerde ze onder andere het verhalenbundeltje Wat knaagt en de prozastukken in Neerbraak.

Harmsen van Beek is een dichter van het kleine, ze schrijft over dieren (diertjes), ontmoetingen, observaties, kunst. En bij herlezing is het werk nog net zo fijnzinnig en springerig en chaotisch als ooit. Zinnen ogen als waren ze ingelegd met een pincet: ‘Maar, zachtjes, haar woorden leken voetjes, /die aarzelend, stap voor stap, een kastruimte/ willen gaan verkennen, om te zien of er/ ook vluchtruimte in zat.’

Maar vooral heeft ze een enorm gevoel voor de elasticiteit van woorden en voor het rekvermogen van de grammatica, zie alle verrassende inversies. Haar proza en poëzie zit tjokvol ‘neerbraken’, woorden met het vermogen te ontroeren. Sensitief tot in de komma, nergens sentimenteel. Of het nu gaat over moeder die haar zieke kind bezoekt, of over een mol die wordt opgevroten door een kat. ‘Op een dag verdwaalde in een hutje/ een dom klein molletje. De kat nam/ het dadelijk te pakken’.

Niet voor niets heeft de schrijfster ook een zwak voor sprookjes. Ze schreef én tekende zelf het paassprookje ‘Gewone Piet & Andere Piet’, over twee verliefde roodborstjes, waarin de natuur zijn eigen wrede gang gaat – in zwierige lijntjes, met gevoel voor detail.

‘Het is krankzinnig mooi. Gaat allen er ogenblikkelijk heen’, schreef Harmsen van Beek destijds over een tentoonstelling van James Ensor, het stuk is te lezen in In goed en kwaad. Naar die tentoonstelling gaan, kan helaas niet meer, naar de boekhandel gaan wel. Meteen doen.

 

Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping

is U de zachte nacht bevallen, hebben de on

deugende, geheimzinnige planten naar behoren

 

gegeurd en zijn hopelijke geen van uw overige

zuigelingen aan de builenpest bezweken?

 

Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige

vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

 

bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,

kom je op mijn tak – o de sierlijke levendige

 

vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,

die veel beproefde droevige moeder. Ja verdomd,

 

deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,

is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:

 

er valt niet tegen op te baren, waar zelfs het

begrafeniswezen, de intieme huisgenoot, die

 

zeer bekende schenker ook van lauwe melk,

op zijn verlengde achterpoten het ter

 

aarde bestellen welhaast niet meer bij kan

benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

 

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?

Het is nu beter te zitten zonder weemoed in

 

de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog

teder is en de gordijnen levendig in de goede

 

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,

kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

 

er loopt een belangwekkend, héél klein maar

bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen

 

onder de hemelsblauwe hortensia

 

 (Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting

bij het overlijden van zijn gebroed)

 

 

F. Harmsen van Beek – In goed en kwaad. Verzameld werk. De Bezige Bij, 512 pagina’s, 24,50 euro, ISBN 9789023469889

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Bookmark and Share

Comments are closed.