Luuk Gruwez. Terug naar af

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

***

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Voor wie de postume Gerrit Komrij leest, is het meteen duidelijk: dit is een van de zwartste bundels sinds jaren. Niet omdat hij van de dood doordrongen is, maar vooral omdat hij een bittere kijk op het leven in zijn diverse stadia biedt, op het begin, het midden en het einde. Het doet er eigenlijk niet toe. Komrij stelt de geboorte voor als een vergissing en achteraf wordt het er niet beter op. Alles is herhaling van herhaling. Zelfs de droom is niet bij machte de horror van het leven op te heffen. Plezier is alleen mogelijk wanneer de ratio nagenoeg geheel is uitgeschakeld en het individu tot minder dat niets wordt herleid: ‘Ik ben het leven hier niet waard./ Ik ben nog minder dan een dier/ En heb daarbij niet eens een staart./ Het ergst van al, ik heb plezier.’ Wel laat de dichter zich hier eens te meer maar zeer ten dele kennen. Tot dusver was hij altijd diegene die zichzelf met al zijn ikken in vraag stelde en die met veel ironische bravoure zijn eigen statements placht te ondermijnen. Maar ‘Boemerang’ bevat minder ironie dan wij van hem gewoon zijn. En de aanwezige humor is zwarter dan ooit. Je kunt je niet ontdoen van de indruk dat hij bij het schrijven van een aantal verzen op zijn minst al intuïtief op de hoogte was van zijn nakend afscheid.

Als er één thema domineert, dan is het namelijk dat van het voortdurende gependel tussen geboorte en dood. Eigenlijk is Komrijs discours vrij eenzijdig: dat het – om aan J.C. Bloem te refereren – ‘tussen twee stiltes’ luid is geweest. Hier heet dat ‘tussen twee geluiden’. De dichter,  hoe aimabel ook in de dagelijkse omgang, was iemand die zodra hij de pen hanteerde al zijn cynisme, al zijn spot en al zijn vitriool de vrije loop liet. Zijn bad genius etaleerde hij in zijn schrijverij, voor de minzaamheid had hij het leven. Of de schone schijn, het onoprechte. Het enige waarmee te leven viel.

Er mogen dan al engelen en dromen voorkomen in ‘Boemerang’, veel imposanter is het besef dat een mens vooral uit zijn mankementige lichaam bestaat. Meer dan een zak scheikunde is hij niet. Altijd al heeft de dichter een uitzonderlijke interesse aan de dag gelegd voor lichamelijke afscheidingen als pis, poep en etter. Hoe vaak hem ook iets dandyesks wordt  toegedicht, hij is een zeer naturalistisch soort dandy. De dromen zijn hier omnipresent, maar zij blijken aan het eind steeds nachtmerries te zijn. Komrij heeft in zijn hoedanigheid van dichter geen talent voor geluk. Zijn poëzie heeft bijna zonder uitzondering apocalyptische karakteristieken. Eén gedicht bevat – heel erg typisch – deze regel: ‘Het is van de vernieling dat ik zing.’ Veel zinvol verloop is er niet te bespeuren. Het leven is als een boemerang. Die komt uit op de plek vanwaar hij weggeworpen wordt. Hij volgt  dus een ridicule, zinloze beweging.

Wie op het punt staat te sterven, heeft – als dit al in zijn vermogen ligt – plotseling nog veel te zeggen. Dat geldt zeker ook voor deze dicher. Maar bij hem gaat dat gepaard met het besef dat een mens dan wel veel lawaai kan maken, maar dat dit geen enkel doel dient. Hij wordt er maar heel even zichtbaar door. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid: het is een thema dat ook een paar keer opduikt in ‘Boemerang’. Komrij wordt in gelijke mate aangetrokken door beide. Hij streeft anonimiteit na en tegelijk wil hij ‘een wandelende lichtkrant’ worden. Wonderwel strookt dit met zijn biografie. Hij werd de eerste Dichter des Vaderlands in het door hem versmade Nederland, maar tegelijk leefde hij in zijn Portugese woonplaats als een anonymus: dit is een van zijn vele paradoxen. Hij weigerde zich te laten kennen.  Zelfs vroeg hij zich af of hij zichzelf wel kende. Zijn vele zichtbare en onzichtbare ikken liepen elkaar in de weg, benamen elkaar het zicht.

Toch lijkt de dichter hier in menig opzicht openhartiger dan in de meeste andere dichtbundels van zijn hand. Hij is dit tot in de opmaak toe. Want eigenlijk was hij, toen hij stierf, nog niet klaar met zijn werk. De tekstbezorger heeft ervoor gekozen ook de varianten en de regieaanwijzingen mee af te drukken. De lezer krijgt daardoor een inkijk in de innerlijke keuken. Maar doordat hij niet precies weet welke de chronologische volgorde van de gedichten is, weet hij niet met zekerheid wanneer de dichter alludeert op zijn ziekte en zijn levenseinde en wanneer iets toeval is. Niettemin vormen deze verzen een testament. Trouwens: ‘Boemerang’ is opgedragen aan Komrijs levensgezel, Charles Hofman, die in een notitie voorafgaand aan de bundel stelt dat de publicatie van deze onvoltooide versie geheel volgens de wens van de auteur is.

Van bij het eerste gedicht, ‘psalm’, krijgen wij een nabeschouwing bij een leven dat voorbij is en een vooruitblik op wat nakend is: ‘er komt nog een luguber feestje aan’. Is dit te betreuren? Uitsluitend afgaand op de poëzie die hij geschreven heeft, moeten wij concluderen dat hij het leven niet veel zaaks vindt. Maar het lijkt wel alsof hij enigszins wil vasthouden aan het leven op het ogenblik dat het hem hoe langer hoe meer ontglipt. Toch wordt zijn rationele kijk op het bestaan er in elk geval niet monterder op. Bestaan en pijn zijn vrijwel elkaars synoniem. En de liefde is en blijft een soort spookverhaal dat levenslang duurt. Er heeft bij Gerrit Komrij altijd een lastige kruisbestuiving tussen leven en schrijven plaatsgevonden. De kunst is niet het leven: ‘Zoals je wollen trui het schaap niet is.’  Met andere woorden: de kunst is maar een prothese van het leven en is er soms zelfs aan tegengesteld. Maar of het nu in een gedicht of in het leven is: toekomst heeft alleen de dood.  

Eeuwigheid

 

Nu is hij weer terug bij het begin.

Alleen de dood heeft toekomst. Binnenkort

Zal hij weer kleuter zijn en benjamin

En door een zoetelief worden beknord

 

Die hem bezweert dat zij zijn moeder is.

Hij zal zo jong en mooi zijn als hij wil.

Hij zal zo rap zijn als een hagedis.

Een wildebras en, als het moet, muisstil.

 

Hij zal een jongen worden en een man.

Hij zal de kop verpletten van de slang.

Totdat hij stokt. Het komt er niet meer van.

Hij wordt volwassen en hij is weer bang.

 

 (c) Gerrit Komrij

 _________________________________________

GERRIT KOMRIJ

Boemerang

De Bezige Bij, 110 blz., 19,90 euro

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.