Luuk Gruwez. Het alledaagse mag niet doordeweeks zijn

Elke maand besteedt Luuk Gruwez aandacht aan de bundel die hem het meest getroffen heeft. Onderstaande bijdrage verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

 Luuk Gruwez. HET ALLEDAAGSE MAG NIET DOORDEWEEKS ZIJN

 

Er zijn dichters die dichter bij Goya en andere die dichter bij Vermeer staan. Dichters die hoog scoren op de decibelschaal en andere veeleer laag. Dit is voor mij geen criterium om de enen met groter enthousiasme aan de borst te drukken dan de anderen. De moderne poëziewereld laat zich allang niet meer omgorden met een kuisheidsgordel van vaste precepten en recepten. Bij David Troch is het stil en komt Vermeer in de buurt. Dit was al het geval in ‘laat(avond)taal’, zijn debuut uit 2008. Een enkele keer voel je de al dan niet bewuste aanwezigheid van Nescio. (Bijvoorbeeld in ‘Wij waren geen jongens’, het gedicht waarmee hij begin dit jaar de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd won, een competitie waaraan amateurdichters uit Nederland en sinds kort eveneens uit Vlaanderen mogen deelnemen.) Maar hoe dan ook is het in deze poëzie eigenlijk zo stil dat er amper iets te horen is en des te meer te zien. Bovendien blijkt wat de dichter zichtbaar maakt bij een eerste lezing volstrekt alledaags. Troch schildert namelijk met een sober penseel taferelen die zich op fluistertoon laten weergeven. Dat zou poëzie van een buitengewone meligheid kunnen opleveren, met veel braaf gebabbel en rustig gekabbel, ware het niet dat je achter de geschetste alledaagsheid en de welwillende aanvaarding van het leven her en der kleine brandhaarden kunt vermoeden die de triviale werkelijkheid dreigen te vernielen. Gelukkige poëzie? Ze bestaat eigenlijk niet. Zelfs niet in een bundel als deze. Want op de loer ligt daar telkens weer die dooddoener dat het grote nadeel van geluk is te beseffen dat het cito presto weer voorbij kan zijn.

De verzen van Troch zijn hoofdletterloos, zoals te verwachten van iemand die ootmoedig naar de dingen kijkt. Ze zitten bovendien vaak ingelijst in een terzine, een driedelig maatpak, maar dan één dat niet wil excelleren in excentriciteit of chic. Belangrijker zijn hun toon en de sfeer die zij ademen. Een prachtig voorbeeld is de cyclus die handelt over de Russische stad Mologa die in 1941 onder het water is moeten verdwijnen voor de aanleg van het stuwmeer van Rybinsk. De dichter voert mensen op die het vertikken hun huis te verlaten en opteren voor de rust van de dood, doordat zij zich ervan bewust zijn dat zij het niet zouden kunnen: ‘(…) wegtrekken/ en geen heimwee hebben.’ Het bijzondere is dat hun bewustzijn ondanks hun overlijden intact is gebleven. Onder de waterspiegel lachen de doden om het verdriet en de rouw van de nabestaanden die soms in bootjes boven hun hoofden varen: ‘(…) zij barsten/ (…) steeds in een huilbui uit. wij laten na/ om met hen mee te leven en grinniken/ zodra hun tranen op het water vallen.’ Op veel compassie van de doden moeten de levenden niet rekenen: zij hadden maar thuis moeten blijven.

Thuis blijven! Daarmee is meteen het centrale thema van deze bundel vermeld. Voortdurend present is de spanning tussen het bekende en het onbekende, tussen elders en hier, tussen het min of meer vertrouwde ik en de nooit volledig kenbare andere. Communicatie is zelden vanzelfsprekend. Er wordt een gezin geschetst waarvan de leden niet met elkaar praten, maar gezamenlijk de beeldbuis en alles wat die te bieden heeft als een afgod of een heiligenbeeld adoreren en er een groter realiteitsgehalte aan toekennen dan aan de eigenlijke werkelijkheid: ‘(…) nooit kwamen wij / tot dialoog. voor elkaar bleven wij potdoof (…)’.  Ik wil in het midden laten of het echt zo is, maar in elk geval wordt de suggestie gewekt dat het om het gezin gaat waaruit de dichter zelf stamt. Troch, de romanticus toch, die een schrijnend gebrek aan romantiek vaststelt in de biotoop waarin hij opgroeit. ‘bij momenten,’ schrijft hij, waren wij ons/ vaag bewust dat er ook wat anders was.’  Maar over het algemeen lijkt het gezin volledig in zichzelf besloten. Zelfs een ‘verre vriend’ of een ‘bovenbeste buur’ krijgen er geen kans. Aan het eind van de cyclus komt dan toch het besef opzetten dat er ook een leven buiten de huisdeur is.

Niettemin wordt het vertrouwde hic et nunc als een zaligheid gepresenteerd: ‘er is hier zoveel te beleven (…)’. En nog: ‘(…) je mist/ maar bitter weinig van wat niet te missen is.’ Wat zich onder het schedeldak afspeelt: dat is pas het grote avontuur, op voorwaarde tenminste dat het zich mag voeden via het infuus van de verbeelding. Dit alles staat te lezen in de cyclus ‘postkaartpraatjes’, die is opgedragen aan de Nederlandse dichter Ingmar Heytze, van wie bekend is dat hij zo goed als nooit de stad Utrecht, waar hij woonachtig is, durft te verlaten. Het klinkt misschien allemaal een beetje burgerlijk, een beetje voyage autour de ma chambre-achtig, maar het is tegelijk een dichterlijk statement dat in de literatuur niet uitzonderlijk is en daarom niet uitsluitend kneuterigheid oplevert.

Ook de liefde is iets wat de dichter binnen dit afgemeten decorum overvalt en in dank aanneemt.  Het relaas van zijn hofmakerij met de geliefde speelt zich hier af, inclusief een inventaris van de verwachtingen die de dichter heeft, tot en met de toekomstige procreatie. Troch fantaseert, met als uitgangspunt een vers van Herman de Coninck (‘op een dag zal ik door de bossen lopen’) over het kind dat er nog niet is, maar dat hij ooit hebben zal en dat op hem zal lijken en van hem zal verschillen, hoezeer de littekens misschien dezelfde zullen zijn. Terwijl hij dit doet, laat hij een wisselspel tussen klein en groot plaatsvinden, maar het zal blijken dat de nazaten uiteindelijk nauwelijks van de voorvaderen te onderscheiden zullen zijn. Ook op dat gebied blijft Troch zweren bij thuis en vindt hij elk elders te ver. Hij gaat liever achterwaarts vooruit.

Dat hij dit doet, is uiteraard zijn goed recht en het levert doorgaans innemende, sympathieke en pretentieloze poëzie op, die niet gewurgd wordt door een geforceerd streven naar vernieuwing. Het is alleen jammer dat er her en der onvoldoende geredigeerd is, waardoor een cliché als ‘bij lezen/ en schrijven hoort een grenzeloze stilte’ overeind is gebleven en waarin vooral een aantal pertinente grammaticale fouten ongemoeid zijn gelaten: ‘één kamermeisje die‘ (i.p.v. dat), ‘voor mijn zus en ik‘ (i.p.v. mij), ‘in grote getale’ (i.p.v. groten), ‘ééntje (…) die’ (i.p.v. dat). Dit neemt niet weg dat Troch bewijst een van de prominentste Vlaamse dichters van zijn generatie te zijn. 

 

___________________

DAVID TROCH

buiten westen

Bel-etagereeks, Poëziecentrum, 48 blz., 17,50 euro

 

AANTAL STERREN:

***

Bookmark and Share

Comments are closed.