Luuk Gruwez. Een kamer vullen met aanwezigheid

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

EEN KAMER VULLEN MET AANWEZIGHEID

 ‘Licht overal’, de jongste dichtbundel van Cees Nooteboom, gaat in hoofdzaak over aanwezigheid en afwezigheid. Al in het motto van Lucebert wordt ons dat thema aangekaart: ‘maar wat je ontkracht en verwart/ niemand te zijn en nergens/ en dan nog iemand te zijn en hier.’ De dichter wil op alles zijn licht laten schijnen om het bestaan ervan te bewijzen. In het gedicht ‘Leeftocht’ luidt dat zo: ‘Een kamer vullen met aanwezigheid,/ gebaren, stemmen, vragen./ Alsof je voor het eerst een engel ziet/ en weet dat die niet bestaat,/ (…)’ Tussen bestaan en onbestaan navigeert de dichter. Zijn poëzie is het middel bij uitstek om zijn eigen bestaan te bewijzen en tekeer te gaan tegen de teloorgang van het woord. Hoe lastig dit wel is blijkt bijvoorbeeld uit ‘Avond’, een gedicht in memoriam Hugo Claus. Nooteboom refereert aan de ziekte van Alzheimer waaraan de schrijver langzaam zijn woordenschat, zijn ‘vergruisde grammatica’ en derhalve ook zijn identiteit moet afstaan. ‘Wat zit daar nu, een man of een gedicht?’, vraagt hij zich één gedicht verder af. En bij herhaling stelt hij zich  de vraag hoeveel er nodig is om te bestaan en hoeveel om niet langer te bestaan. Want de mens is een ‘onherbergzaam soort’ en ‘alles moet veroverd worden’. Zijn bestaan is, met andere woorden, niet vanzelfsprekend. 

Talrijk zijn de gedichten waarin de dichter zich afzet tegen de tijd. Zijn gedichten voor jarige en op pensioen gestelde collega’s (Frans Budé, H.C. ten Berge en Anton Korteweg) zijn in die zin meer dan louter gelegenheidsgedichten, ook al heet de cyclus in kwestie ‘Ter gelegenheid’. Nooteboom legt als het ware hun jaren en hun tijd op aarde vast opdat zij niet verloren zouden gaan. ‘Oud zijn is dodelijk’ heeft hij immers al aan het begin van zijn bundel laconiek vastgesteld. ‘Licht overal’ is hoe dan ook een bundel waarin dode en levende, Nederlandstalige en anderstalige dichters en denkers opvallend present zijn. De dichter put vooral uit het buitenlandse literaire erfgoed met gedichten over Juarroz, Wittgenstein, Hesiodus, Meng Chao, Shelley, Borges, Descartes, Ungaretti en Stevens. Andere dichters kijken voortdurend over zijn schouders mee, soms uitentreuren: van Auden tot Pound. ‘Alles van woorden is echt,’ dicht hij. Hij schenkt zijn dode voorgangers de realiteit van de levenden terug. Want gedichten zijn levende wezens in deze poëzie: ‘Het ene gedicht heeft het andere gegeten. (…) Hoeveel gestaltes heeft het verzinnen gekregen, wie, die er niet is, staat bij de heg in de tuin?’ Dit geloof in de overleving middels de macht van het woord klinkt misschien wat naïef, maar het wordt hardnekkig beleden. Poëzie is ook in staat tot vernietiging. ‘de dag voor hij stierf/ aan een vergiftigd/ sonnet.’ staat er te lezen.

Er hangt een waas van diepzinnigheid over de meeste van deze gedichten die veelal wijdlopig zijn. Nooteboom laat heel graag zien dat hij een homme de lettres is en koketteert te pas en te onpas met zijn culturele bagage. Dit gaat meer dan eens ten koste van de inleefbaarheid en dat is zeker een zwak punt. Anderzijds illustreert de hoge frequentie waarmee hij aan name dropping doet een streven dat essentieel is voor deze poëzie: het is de taal die de transformatie van onbestaan in bestaan mogelijk maakt. Zij alleen maakt het afwezige weer aanwezig. Geen wonder dus dat dichters, in Nootebooms wereld bij uitstek bedienaars van die taal, met alle honneurs gaan lopen. 

‘Dit is waar ik ben, achter mij/ volgt mijn tijd, een eeuwige voetstap/ vol woorden, (…), ik weet wie ik was.’ Zo luidt het in het gedicht ‘Landschap’. De dichter is op zoek naar zijn identiteit. Het spoor dat hij achterlaat, is niet miniem. Het gaat hem namelijk om een ‘eeuwige’ voetstap. Elders heeft hij het dan weer over een spoor in wit zand: nauwelijks merkbaar dus. Schrijven doe je om te weten wie je was. In sommige verzen, doordrongen van heimwee, bijvoorbeeld in de briefgedichten aan het adres van Remco Campert, vraagt de dichter zich dan weer af of dit nog mogelijk is, of de dingen van vroeger gebleven zijn of daarentegen ontstolen zijn aan wie hen vroeger bezat. Het lijkt of Nooteboom moet leven in een wereld die zijn betovering en zijn zin is kwijtgeraakt. Hier maken wij kennis met een aarzelende auteur die zich met Wittgenstein afvraagt of niet alles een illusie is.

_______________________________

CEES NOOTEBOOM

Licht overal

De Bezige Bij, 94 blz., 19,90 euro

  

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Bookmark and Share

Comments are closed.