Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

 Er verandert niet veel in de poëzie die Jean Pierre Rawie (°1951) de voorbije decennia geschreven heeft. Zijn thema is en blijft de strijd met de tijd. Een vroege bundel als ‘Het meisje en de dood’ (1979) had net zo goed door de inmiddels vijfenzestigjarige dichter geschreven kunnen zijn. Ook nu weer laat die zich voeden door domme illusies, maar hij weet dat hij niet eens mag hopen op een ex-aequo. Tot daar de niet erg verkwikkende gedachte die door dichters en door bomma’s en opa’s van alle tijden geregeld wordt geventileerd, zij het niet altijd op zo’n expliciete wijze als hier. Mogelijk daardoor en ook omdat er weinig variatie schuilt in de teneur van zijn poëzie, ondervind ik enige moeite om een kwaliteitsoordeel over Rawies jongste te vellen. Zijn gedichten zijn niet vies van romantische clichés en het is al vaker opgemerkt dat de maker ervan zich in zijn jargon van eeuw heeft vergist. Enkele schaarse nuances daargelaten, zou hij zijn poëzie in de negentiende eeuw hebben kunnen schrijven of zelfs in de renaissance: daarvan getuigen de vertalingen van voornamelijk Italiaanse renaissancedichters die als slotcyclus in ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’ zijn opgenomen. De wijze waarop het Tempus fugit-motief hier wordt behandeld is nergens bijster origineel. Wat meer is: Rawie schijnt niet in iets als vernieuwing te geloven. Wat baat het, lijkt hij te pretenderen, dat je je vernieuwt? In het licht van de voortvliedende tijd lijkt dat namelijk een ijdele – om niet te zeggen dwaze – onderneming.

Toch gaat er van deze poëzie steeds weer een herkenbare charme uit, met een aanzienlijke schaar van lezers tot gevolg. Misschien komt dit wel door het feit dat er maar weinig gerenommeerde dichters meer werkzaam zijn die niet terugdeinzen voor enig discutabel geflirt met het cliché of de kalenderwijsheid. Er gaat van iemand als Rawie na lectuur van een overvloed aan cerebrale poëzie in zekere zin iets verfrissends uit. De charme is, mij dunkt, vooral aan dit adagium toe te schrijven: je zult dan wel met zijn allen voor de verdommenis zijn bestemd, het is zaak enige grandeur te behouden, met chique wandelstok in de hand en binocle aan een kettinkje in de vestzak. Want weltschmerz is hier al vanouds een appellation controlée, het dichterlijke aroma dat van het antiquariaat. De ingrediënten van het romantische wereldbeeld zijn bekend. Er is de vergankelijkheidsgedachte die steevast culmineert in de dood. In ‘Necropolis’ dat over het Venetiaanse kerkhofeiland San Michele gaat, waar tal van beroemdheden hun laatste onderkomen hebben gevonden, staat dit te lezen: ‘De meeste doden liggen hier maar kort:/ de bodem biedt geen ruimte aan zovelen./ Hun resten worden zonder rituelen/ straks naamloos in een knekelput gestort.’ En het gedicht eindigt met deze regel: ‘waar zelfs de dood nog voor de dood moet wijken.’  Rawie heeft in zijn kleurenpalet altijd wel een zwart voorhanden dat nog zwarter is dan zwart. Niettemin zou hij geen Nederlander zijn wanneer hij zijn uitzichtloosheid niet kon opleuken met romantische ironie. Zo bijvoorbeeld in deze verzen: ‘Op straat kwam ik een middelbaar/ geworden dame tegen,/ en dacht met schrik dat ik met haar/ eens samen had gelegen./ (…) Ik wist haar naam niet meer, (…).’. 

Dat de dood komt, is een zekerheid, maar behalve middels ‘dichtkunst’ probeert de dichter hem te weren zonder zich te laten afhouden van zijn queeste naar de superieure geliefde, die helaas niet zelden een femme fatale is. De geliefde? Ofwel voert zij haar minnaar naar de afgrond, of zij is zelf al jaren dood, zonder dat het met de ik-figuur iets geworden is. Dit is met name het geval in ‘Eerste liefde’, een van de mooiste en tegelijk eenvoudigste gedichten in deze bundel. Hier is Rawie niet enkel charmant en dandyesk, maar ook aangrijpend. Iedereen weet van kindsbeen af dat alles voorbij moet gaan, maar toch houdt iedereen geen moment op te verlangen naar iets wat niet komt: ‘(…) wij hebben ons een leven lang verheugd/ op iets wat levenslang op zich liet wachten.Elders staat deze parafrase op Caesars ‘Veni, vidi, vici’: ‘(…) je kwam, je zag, en er was niets te winnen.’ En nog elders: ‘Je weet wel wat je wilt, maar niet of het bestaat.’ Een mens wordt gedreven door krachten die sterker zijn dan de ratio die hem dicteert dat alles op een nederlaag uitdraait.

De dichter is gefascineerd door het onherbergzame en het nagenoeg voorgoed verlatene. Dat uit hij in een aantal verzen met het Nederlandse landschap als onderwerp. Maar ook schetst hij een aantal Venetiaanse taferelen waarin hij zijn ik-figuur laat circuleren. Daarbij komt de tegenstelling aan bod tussen die ik voor wie het definitieve einde zo langzamerhand in zicht komt en de Dogenstad waarvan delen wel eens onder water komen te staan, maar die het toch steeds weer haalt van de zee. Dat definitieve einde openbaart zich op zijn scherpst in gedichten waarin Rawie het heeft over de beroerte die hem met verwaarloosbare handicaps heeft opgezadeld. Hier heerst een zekere gelatenheid, het gevoel dat het zoveel erger had kunnen zijn. Het is zelfs alsof die beroerte enige monterheid aan de tragiek toevoegt: ‘Hoe wankel ik ook sta. Ik handhaaf mij.’  En weer is die handhaving het meest mogelijk door de literatuur. Herstellend van zijn ziekte, vertaalt de dichter verzen ‘die ooit een Italiaan/ (…) voor iemand had geschreven.’ De fictie, die mogelijke vorm van onbestaan, blijkt dan toch troost te kunnen bieden. Anders gaat het er toe in verzen over zijn stervende moeder. In twee gedichten krijgen wij een inventaris van haar leven: ‘Een zevental dozen en zakken,/ een leven van negentig jaar/ liet zich in een paar uur verpakken,/ het was in een halve dag klaar.’ Dat is wat Jean Pierre Rawie in al zijn dichtbundels doet: een inventaris opmaken van een mensenleven en tot de vaststelling komen dat er aan het eind niet veel meer is dan bij het begin.

 

 

EERSTE LIEFDE

Mijn eerste liefde is al jaren dood.

De vijfde klas. Zij telde elf, ik tien.

Een voorjaarsdag. Haar voeten waren bloot

en in haar bloes kon ik haar schouders zien.

 

Ik was een knaap, zij werd al bijna vrouw,

en dit gevoel was nog te veel voor mij.

Ik wist geen woord voor wat ik zeggen wou,

mijn hart stond stil wanneer zij zelf iets zei.

 

Ze zat schuin vóor mij, en haar nek en rug

vormden het centrum van mijn klein heelal.

Dat zij bestond, maakte mij duizelig.

Zo was de wereld vóor de zondeval.

 

Er is nooit wat geworden tussen ons;

zij werd al vrouw, ik was nog maar een knaap.

De aarde dekt haar toe. Wat ondergronds

met haar gebeurd moet zijn, verstoort mijn slaap.

 

                      Jean Pierre Rawie

 

_______________________________

JEAN PIERRE RAWIE

De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Uitgeverij Bert Bakker, 65 blz., 15 euro

 

AANTAL STERREN:

 

***

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Bookmark and Share

Comments are closed.