Luuk Gruwez. Tussen dakloos en geborgen

 

Jan Eijkelboom. Verzamelde gedichten.

Recensie door Luuk Gruwez

 

Jan Eijkelboom.

Drieënvijftig was Jan Eijkelboom toen hij in 1979 debuteerde met de bundel ‘Wat blijft komt nooit terug’. Toen hij in 2008 stierf, liet hij een oeuvre na van tien dichtbundels en een fors aantal verspreide gedichten. Thans is er een prachtige uitgave met zijn ‘Verzamelde gedichten’, bezorgd en van een voortreffelijk nawoord voorzien door Kees van ‘t Hof, die vanuit de poëzie vertrekt om een kritisch en liefdevol portret van de dichter te schetsen. Dat is geen vanzelfsprekende werkwijze, maar zij werkt hier wel. Het autobiografisch gehalte van de gedichten is namelijk hoog en blijkt betrouwbaar. Bovendien is het decor waarin zij spelen soms erg traceerbaar. De dichter mag het bij de drie vrouwen met wie hij getrouwd is geweest, soms niet al te lang hebben uitgehouden, het landschap en het stadsbeeld van zijn geliefde stad Dordrecht bleef hij trouw: het leverde hem een ereburgerschap op. Het wemelt in deze poëzie van de beschrijving van herinnerde huizen. Eijkelboom kwam nergens blijvend thuis, maar hij kon de woningen waarmee hij iets had niet missen: ze moesten worden vereeuwigd. Bij weinig Nederlandstalige dichters is er ooit zoveel architecturale aandacht geweest. Geen baksteen of hij roept het spanningsveld tussen dakloosheid en geborgenheid op.

Het heet dat een ongelukkige jeugd voor schrijvers een goudmijn is. Zo niet hier. Er heerst grote nostalgie naar de vervlogen kinderjaren waaruit de dichter zich verbannen voelt. Hij is, aldus Kees van ‘t Hof, door zijn moeder verwend geweest. Klaarblijkelijk moet hij in zijn latere leven het gevoel hebben gehad dat hij die verwenning onherroepelijk is kwijtgespeeld. Misschien vloeide daar een bijzondere belangstelling voor kinderen uit voort. Nooit was hij intenser in ze geïnteresseerd dan wanneer zij nog baby’s waren. Na die vroegste fase bewoog het leven zich hoe dan ook verder in een neerwaartse spiraal. Een kind blijft maar echt een kind ‘tot het de dood ontdekt / en een der onzen wordt,’ dicht Jan Eijkelboom. Hij is dan ook het prototype van de mens die zich uit het paradijs verdreven voelt en amechtig, via het ommetje van het kunstmatige paradijs, een weg terug probeert te zoeken. Meermalen refereert hij aan het alcoholisme waarmee hij levenslang, met vallen en opstaan, kampt. De voortdurend aanwezige doodsgedachte is daar uiteraard mede bevorderlijk voor. Maar in alle omstandigheden blijft hij, hoe belabberd ook, gedreven door een fervente levenswil en een volkomen afwezigheid van verlangen naar het einde. Wat hem afschrikt is immers de horror vacui, de terrorizerende angst voor de leegte. Eijkelboom is minder beducht voor de pijn van het zijn dan voor de afwezigheid van het zijn.

Daarbij noteert hij secuur de voortgang der seizoenen, onder meer in ‘Tegen de tijd. Een calendarium’, cyclus uit de bundel ‘Hora incerta’. Ook hier weer wordt de moederfiguur als behoedster van het paradijs geïdealiseerd. De hele natuur krijgt overigens moederlijke trekken. Dat verklaart misschien waarom de dichter in toenemende mate landschappen registreert. In de natuur, plaats van eeuwige terugkeer, zoekt hij een mentaal onderkomen. Hij wil daarmee de melancholie bestrijden van een jeugd die nooit meer terugkomt. ‘Nimmermeer,’ luidt niet voor niets de titel van een gedicht. En in een vers van Philip Larkin, een van de vele hier door Eijkelboom vertaalde dichters, luidt het aldus: ‘de totale leegte voor altijd’. Dat besef weerklinkt in het hele oeuvre. Dit betekent niet dat iemand aan het woord is die zwelgt in pathos. Dat gevaar wordt namelijk vermeden doordat de dichter alert is op te  grote heftigheid. Eén bundel heet veelzeggend ‘Binnensmonds jubelend’. Daaruit spreekt een grote dosis tongue in cheek. In een van de laatste gedichten, waarin hij zichzelf in de derde persoon memoreert, heet het zo: ‘Hij had geen talent voor tragiek (…).’ De toon blijft dan ook overal bescheiden en er is voldoende luciditeit aanwezig om hoge verzuchtingen te temperen. Het is het vergankelijke dat de dichter wil bewaren, wat makkelijk voorbijgaat meer dan wat uit zichzelf al aanleg voor eeuwigheid heeft: ‘Want sneeuw is altijd weer van vroeger / en ligt er altijd voor het eerst. / Het blijft omdat het overgaat.’ Hooguit wil Jan Eijkelboom zichzelf het genoegen toestaan te fantaseren over een vrouw die lang na zijn dood zijn woord nog op haar tong kan nemen. ‘Het is,’ schrijft hij, ‘ook wel een weelderig genoegen, / niet geheel dood te hoeven.’    

________________________________

JAN EIJKELBOOM

Verzamelde gedichten

De Arbeiderspers, 560 blz., 45,00 euro

 

EGIDIUS

 

Ik zag je nooit, de laatste jaren.

Jij was in wetenschap verdiept,

het kunst- en vliegwerk dat je schiep,

en ik in kranten en in jonge klare.

Toch was je bij me als ik riep,

en soms vanzelf. Niet te bedaren

was ons plezier wanneer de zware

ernst van anderen werd uitgesliept.

 

Maar nu je dood bent mis ik je, altijd.

Misschien omdat de mooglijkheid

je ooit terug te zien ontbreekt.

Misschien omdat ik ‘s nachts soms weet

dat je jezelf niet had vermoord

als ik je angst had aangehoord.

 

Jan Eijkelboom

 

Bookmark and Share

Comments are closed.