Luuk Gruwez. De talrijkheid van het ik

  Onderstaande recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 Luuk Gruwez. DE TALRIJKHEID VAN HET IK

 Hoeveel ikken kunnen er in één enkel ik? Joris Iven vraagt het zich af. En tevens onderneemt hij een onderzoek naar de mate waarin hij zichzelf in al die ikken kan vinden. In hoeverre is ‘je’, naar het woord van Rimbaud ‘un autre’ en in hoeverre lijkt het ik dat van een ander is als twee druppels op dat van jezelf? De dichter gaat het na door zich te verplaatsen in een groot aantal figuren uit de wereld van de cultuur die hem telkens om de een of andere reden fascineren en die op hun beurt gefascineerd worden door weer andere figuren die een onontwijkbare invloed op ze uitoefenen. Telkens gaat het om duo’s die met elkaar een conversatie aangaan. En heel vaak betreft het gehavende wezens, personen die het op menselijk vlak niet voor de wind gaat, vaak doordat zij psychisch labiel zijn of autodestructieve neigingen hebben.

Iven heeft zijn bundel heel minutieus gecomponeerd. Hij laat bijvoorbeeld Ofélia Queiroz in conversatie gaan met Fernando Pessoa, Gustav Mahler met Alma Mahler, de suïcidaire dichteres Anne Sexton met haar psychiater Martin Orne, Robert Lowell met Elizabeth Bishop. En dit telkens in minicycli van vijf gedichten die op hun beurt met wiskundige precisie geconstrueerd zijn. Strofes van respectievelijk 2, 3, 4 en 5 versregels in één cyclus worden opgevolgd door strofes die daarvan het spiegelbeeld zijn: 5, 4, 3 en 2. De bundel bestaat uit twee delen: ‘Braziliaans blauw’ en ‘Bloedrood’. Begin en einde lopen vaak in elkaar over. T.S. Eliot en zijn ‘Four Quartets’ liggen op de loer door de wijze waarop begin en einde ook hier met elkaar versmelten.

Iven is een dichter die al vele jaren laboreert aan een oeuvre dat precies omwille van het feit dat het zo weinig aansluit bij trends in de Nederlandstalige poëzie vaak ten onrechte onopgemerkt is gebleven. Zijn poëtisch domein ligt buiten ons taalgebied. Zijn manier van schrijven net zo goed. (Het baart overigens geen verwondering dat hij ook flink wat heeft vertaald: zijn hele wereld lijkt wel een vertaalde wereld. Iven vertaalt de ikken van een ander, laat ze groter zijn dan hijzelf is, in een poging zichtbaarder te worden voor zichzelf.) En dat blijkt ook hier nog maar eens. De mensen die aan bod komen, hebben het moeilijk met hun eigen ik. Het is of het aan Iven is om hiervoor alsnog een oplossing te zoeken, ook al behoren zij soms niet meer tot de levenden. Waarom voelt hij daar de aanvechting toe? Allicht omdat het wezens zijn die hij bewondert. En misschien ook doordat hij in hen iets van zichzelf in herkent.

Tegelijk is het niet moeilijk vast te stellen dat de beschreven personages ook zelf soelaas zoeken bij mensen die zij maar wat graag als klankbord gebruiken: de dichteres Bessie Head stort haar hart uit bij Breyten Breytenbach, de componist Dmitri Sjostakovitsj lucht zijn hart bij Isaak Glikman, zijn secretaris, Joris Iven zelve gaat op zoek naar wie hij is bij zijn bijna-homoniem, de Nederlandse communistische cineast Joris Ivens. (Ook de hier ten tonele gevoerde Cesare Pavese is een communistisch auteur. Hij spreekt de actrice Constance Dowling aan voor wie hij een grote liefde heeft opgevat en die mogelijk de aanleiding tot zijn zelfmoord is geweest.) De identificatie van de dichter Iven met zijn personages lukt soms geheel, soms gedeeltelijk en soms blijft hij een ander. Het samenspel van afstandname en toenadering, in een delicate balans, vormt de drijvende kracht van zijn verzen. Er is sprake van een soort driehoeksverhouding tussen de dichter, het personage dat het woord krijgt en de aangesprokene. Het anekdotische gehalte is groot, maar in het beste geval wordt hier een wereld geschapen die het naakte feit overstijgt en waarin teloorgegane harmonie wordt hersteld.

En zo gaan de verhalen maar door. Je krijgt als lezer heel veel biografische realia op je bord en de aantekeningen aan het eind zetten je niet altijd een eind op weg, maar zijn niettemin richtinggevend. Met zoveel anekdotiek wil de dichter bewijzen dat wij in de eerste plaats uit verhalen zijn opgetrokken, dat het onze feitelijke historie is die onze persoonlijkheid modelleert. Dat is een wel erg deterministische kijk op het leven, die ervan uitgaat dat het in hoofdzaak de gebeurtenissen zijn die ons maken. Hoeveel ikken kunnen er in één enkel ik? Alle ikken allicht die ervoor zorgen dat wij dankzij onze verhalen bestaan. ‘We warmen ons aan elkaar om de tijd te doden,’ schrijft Robert Lowell aan Elizabeth Bishop. Zo is het maar net.

 

 

Aantekeningen van James Ensor

voor Emiel Verhaeren

 

4

 

Oesters en hufters vind je in elke havenstad. In Oostende

drommen de drassige boerinnen en de krijsende dikbillen.

 

Het blote vlees wordt op het slagersblok gelegd. Ik trek

me in mijn hok op zolder terug, op de schildersezel

de schedel en de berenmuts, aan mijn voeten de maskers.

 

Komt u binnen, zeg ik, gaat u zitten. Ik borstel je snor

breeduit, zet je aan tafel, achteraan, in de keuken

van de kunst. Je kotst de tafel onder: mijn hoofd wordt

opgediend als een haring met citroen en peterselie.

 

Iemand bakt een varkenskop in de pan, iemand ligt

met een vissenstaart op een plank en wacht, iemand

hangt als een geplukte kip aan een haak, iemand kruipt

over de vloer als een speenvarken met een monocle. Er

zit stront in de hersenpan. Skeletten zwaaien met de zeis.

 

Joris Iven

 

 

________________________________

JORIS IVEN

Braziliaans blauw

uitgeverij P, 80 blz., 16,00 euro

 

AANTAL STERREN:

****

Bookmark and Share

Comments are closed.