Luuk Gruwez. Een eindeloze deining

 

Onderstaande recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Wat is dat: een dichter met een eigen stem? Het is en blijft in de eerste plaats iemand die opvalt door de kwaliteit van zijn gedicht en die zich niet enkel laat ringeloren door de modieuze oekaze van de vernieuwingsdrang. Alleen een goed gedicht is echt vernieuwend. Al de rest is snobisme en collectieve oogverblinding. De gedichten van Lies van Gasse (foto) zijn vernieuwend doordat zij goed zijn en niet andersom.

Niets staat stil in haar woelige universum. Alles wentelt en kantelt, tolt en draait, wiekt, wervelt, zindert, deint, kolkt en golft. Zij hanteert een paradigma van werkwoorden die aan ongelijkmatige en onrechtlijnige bewegingen refereren. Veel in haar recente bundel laat zich interpreteren aan de hand van de omslagillustratie die zij in haar hoedanigheid van beeldend kunstenaar heeft gemaakt. Daar wordt meteen de titel verduidelijkt, rondom een middelpunt waarin je een pupil kunt herkennen, maar net zo goed de roos van een schietschijf: niet voor niets heet één gedicht ‘Schot’. Het wemelt hier van golvende lijnen waarin connotaties aan de golfslag van het water worden opgeroepen, maar waarin ook twee vrouwenlichamen herkenbaar zijn. Dit is allerminst gratuit: Van Gasses poëzie is uiterst lichamelijk, vaak op het dierlijke af. Op elke bladzijde wordt een wereld beschreven waarin niets recht is, maar alles vol rondingen zit. Wat zich erin voltrekt is nooit een rechte lijn, maar een wenteling of een dwarreling. Het valt op dat de dichter excentrische bewegingen registreert vanuit iets als een alziend oog dat tegelijk het centrum van een schietschijf lijkt te zijn.

 

Omslag

Alles in deze poëzie is tegelijkertijd samenhangend en onsamenhangend, zoals het bestaan zelf. Door erover te schrijven probeert Lies Van Gasse als het ware de initiële eenheid te herstellen. En daar waar alles ooit begon, eindigt het ook: het op één na laatste gedicht heet ‘Cirkel’. Vrijwel alle andere gedichten hebben als titel trouwens ‘Wenteling’, gevolgd door een Romeins cijfer. Het gaat om drieëndertig stuks, precies evenveel als de canti in elk van de drie delen in Dantes Divina Commedia. Alles blijft zich maar herhalen. Vaak lees je temporele verwijzingen als ‘deze ochtend’, ‘deze avond’ of ‘deze nacht’. De dichter stapelt momenten op van eenzelfde dag die noch min noch meer een draaikolk is waaruit amper te ontsnappen valt. ‘Ik wilde worden, maar ik was,’ luidt het. En verder: ‘ik kon niet voorwaarts.’ En nog: ‘we kunnen niet terug.’ Anders gezegd: er valt niet aan jezelf te ontkomen, want je heb geen grip op je verleden en evenmin op je toekomst. Hoezeer Lies Van Gasse zich wentelend, tollend en spartelend uit de cocon van het moment wil bevrijden, zij blijft gevangen, omringd door een stalen cirkel die rond haar middelpunt is gevormd en die zij niet doorbreken kan. Zij is de gevangene van zichzelf.

‘U bent de grens,’ schrijft zij veelbetekend. Toegang tot de ander krijgt zij amper. Tutoyeren is hier niet aan de orde. Zij spreekt de geliefde een bundel lang met de op zich nogal kille u-vorm aan. Die is typisch voor de onoverbrugbare distantie tussen haar en de ander. Zij mag dan wel doordrongen zijn van haar wil om hem te benaderen, er blijft een grens tussen hen in liggen: ‘(…) ik zal mij in uw armen leggen / als een geul.’ Onrealiseerbaar is haar verlangen: ‘Wij zouden lucht eten / en diep in elkaars ogen blazen, maar dat is niets voor mijn moment.’ Bij zichzelf weet zij evenmin soelaas te vinden: ‘Het midden is onvindbaar, / het hart schiet alle kanten uit.’

Hoewel je dus niet bepaald vrolijk wordt van deze gedichten, zijn zij toch een soort bedwelmende improvisaties, met de hardnekkigheid van repetitieve muziek. Misschien komen zij daarom hardop gelezen nog het best tot hun recht. Maar precies vanwege die repetitiviteit hebben zij er ook baat bij met kleine porties te worden genoten, als zij tenminste aan het euvel van de langdradigheid en een teveel aan pathos willen ontsnappen.

De mens is een wezen dat zich geen blijf weet met zijn lijf. Hij is zich bewust, maar de zin van zijn bewustzijn kent hij niet: ‘ze / weet, maar ze weet niet waarom.’ Meermalen beschrijft Van Gasse het lichaam terwijl het huilt of het uitkrijst. Soms bloedt het. Soms kan het niet aan desintegratie ontsnappen. Soms slaat het wild en hard om zich heen. Soms worden er benen of handen van uitgetrokken. En ondanks alle goede wil heeft het geen naam waarin het zich vinden kan: ‘Wij zijn naamloze wezens, / maar het ontbreekt ons niet aan tederheid.’ De dichter bekent zich in die laatste verzen tot een zeldzame overgave, want vaak primeert het onvermogen tot nabijheid. Heel typerend hiervoor zijn de ‘dat-gedichten’. Parlandogewijs heeft men het over mensen soms als over een ‘dat’, met name als het kleine kinderen betreft. Van dit verwijswoord wordt hier veelvuldig gebruik gemaakt. Bijvoorbeeld hier: ‘Dat is nog jong. / Het speelt.’ Die volkse stijlfiguur kan innemend overkomen, maar ook blijk geven van ironische afstandelijkheid. Hij objectiveert, neutraliseert, ‘verdingt’ tenslotte personen van vlees en bloed. En misschien is dit wat Lies Van Gasse in haar zwartgalligste momenten betogen wil: dat wij wel mensen zijn, maar als het erop aankomt niet meer dan dingen tussen de dingen. Dingen, weliswaar, die pijn kunnen lijden. 

 

***

Wenteling XXV

 

Deze nacht, wanneer de regen

een raadsel in ons legt

en het raam dreunt,

 

houden we een avond in stand.

Mannen heffen een lied.

 

Ik neem u mee naar buiten,

waar geen kluwen nog een rol speelt.

 

We willen onaf zijn, maar volkomen,

beschadigd in ons ideaal.

 

Lucht leunt zacht op de ramen,

miijn adem kruipt als een spin

naar het niemandsland.

 

U denkt dat ik na jaren boven kom,

maar ik ben zacht en onzichtbaar.

 

Dus deze nacht: vogels zingen,

het groen zit als een krans om mijn haar.

 

(c) Lies Van Gasse (Uit: Wenteling, 2013: Wereldbibliotheek)

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.