Janita Monna. Een oefening in loslaten.

 

Marjoleine de Vos – Uitzicht genoeg

 

Uitzicht geldt meestal als aanprijzing: een kamer met uitzicht op zee kost altijd meer dan eentje die uitkijkt op een dode muur; hoe verder het zicht, hoe beter.

Dat idee zet dichter Marjoleine de Vos op losse schroeven: zij vraagt zich in haar vierde dichtbundel of al dat staren in de verte, in ruimte en tijd, niet te veel afleidt van het leven zelf. Kijken we niet te vaak vooruit? Speelt wat belangrijk is zich niet gewoon nu af, en dichter bij huis?

 

Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid

bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.

Voel warmte op je neus, zie ’t vroege blad

van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.

 

Uitzicht genoeg opent met een serie gedichten waarin de vanzelfsprekende natuur menselijke eigenschappen toegedicht krijgt. ‘Mensenvragen’ over zin, toekomst, later, het al dan niet bestaan van een schepper of God worden geprojecteerd op het eerste groen in de lente of op vogeltjes die vrolijk en onbezorgd zaadjes pikken uit een vetbol: ‘Maar o mijn meesje, jij leeft op de pof./ (…)/ zo grondeloos opgaan in heden/ en almaar denken nu, nu, nu.’ – de vogel en de mens als de ‘krekel en de mier’.

Maar hoe die wens om zonder toekomst of verte te leven, te verenigen met een tijd die niet stilstaat? Want het uitzicht is ook een zicht op het einde, leven met de dood. Zoals dat wat geluk oproept in het heden, vaak verbonden is met een vroeger, met herinneringen aan een oud huis, een verloren paradijs. Terugkeer naar waar je eens was, is onmogelijk, ‘[e]lk paradijs is al voorbij’, zo toont de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. Bijna vermanend wordt de lezer toegesproken: ‘Pas op,/ bestemming is een toverwoord, dat achteloos/ vermoordt het ongekende dat je overkomt.’

Het is geen wonder dat de bundel, die aanvankelijk dicht bij huis blijft, in de tuin, zich steeds verder uitbreidt in ruimte en tijd. En dat ook Odysseus langskomt, die Griekse held die na zijn lange omzwervingen terugkwam in een land dat niet langer hetzelfde was: ‘Wie van huis gaat,/ komt niet weerom. De deur valt dicht, je stappen/ sterven in de straat. Je raapt ze niet meer op.’

Marjoleine de Vos formuleert haar ‘levenslessen’, want zo zou je deze gedichten kunnen noemen, op een toon die het midden houdt tussen enthousiaste verwondering en ietwat gedragen bedachtzaamheid. Waarin iets van het mystieke van de Groningse dichter C.O. Jellema klinkt, en met echo’s van Rutger Kopland, al is De Vos is opgewekter, en zijn haar beelden kleurrijker.

Uitzicht genoeg is een aanstekelijke aansporing om te zijn. Een oefening in loslaten, van denken en bewustzijn. Maar toch blijven de gedichten ook op afstand – en misschien komt dat uiteindelijk wel doordat gewone dagelijkse beslommeringen, die de omarming van hier en nu vaak zo radicaal in de wielen rijden, in deze regels afwezig zijn.

 

 

Aanzie de vogels

 

De mees op mijn vetbol waant zich

vast wel behoed al kent ze niet het woord

dat zegt dat vrij zijn, net als zij, van zorg

omdat uw Vader immers alles geeft,

het wenslijkst is voor al wat leeft.

Ze denkt niet eens eraan mij te aanbidden

die haar zaad en pinda’s schenkt.

 

Maar o mijn meesje, jij leeft op de pof.

Eerdaags vlieg ik naar Afrika en jij

krijgt spijt van je klein mystiek ideaal:

zo grondeloos opgaan in heden

en almaar denken: nu, nu, nu.

 

Marjoleine de Vos – Uitzicht genoeg. Van Oorschot, 14,50 euro, 60 pagina’s, ISBN 9789028250079

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.