Janita Monna. Nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt.


Jean Pierre Rawie – De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Er is een nieuwe Jean Pierre Rawie. En ja, dat is opzienbarend. Want sinds 1999 had de Groninger dichter geen nieuw werk meer gepubliceerd, wat aan zijn populariteit overigens weinig afdeed. En bovendien verscheen wel de Rijmkroniek des Vaderlands, een episch historisch vers dat hij maakte met vriend en voormalig Dichter des Vaderlands, wijlen Driek van Wissen.
In De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag klinkt enerzijds een vertrouwde Rawie: de onmodieuze dichter wiens belangrijkste thema de vergankelijkheid is. Een die in heldere taal het raadsel van de tijd, het zinloze leven en de teleurstellingen in de liefde in vormvaste gedichten (sonnetten, kwatrijnen) giet. Een vorm die orde geeft aan wat chaotisch en ongrijpbaar is.
Toch is er ook iets veranderd. Werd Rawie eind jaren ’80 al minder ironisch en eerder melancholisch, maakte een studentikoze toon plaats voor een meer gestileerde behandeling van zijn thema, zo is deze bundel doorleefder.
Misschien komt dat ook doordat de dichter nauwelijks een jaar geleden voor de tweede keer in zijn leven door de dood op de vingers werd getikt: ‘Er ging iets binnen in mijn schedel stuk,/ waardoor een aantal dingen het niet doet.’ Hij kreeg een hersenbloeding, hij schrijft erover in De tijd vliegt…: ‘Ik ben weer op de been./ Althans. Het gaat best goed. Geen centje pijn.’ En poëzie werd, meer dan ooit, bittere noodzaak. Regels van oude Italiaanse dichters, van wie er weer enkele in vertaling in deze bundel staan, waren als een uitgeworpen reddingsboei, en maakten ‘het leven/ weer deels te dragen’.
Voelbaar is dat de dood ook werkelijk het enige uitzicht is. Het meest in de tamelijk ‘naakte’ verzen die zijn eigen ziekte tot onderwerp hebben. Maar zeker ook in de gedichten over zijn moeder, een dementerende vrouw die hij jaren achtereen in het bejaardentehuis bezocht en die uiteindelijk sterft, terwijl niets om haar heen haar nog vertrouwd is: ‘Of zij nog wist dat ik haar zoon/ was bleef onzeker, maar ze keek/ mij aan of ik op iemand leek.’
Rawies poëzie dankt zijn populariteit zonder twijfel aan zijn verstaanbaarheid en zijn helderheid. De helaas overleden Gerrit Komrij zag in het werk gedichten van een ‘terminale citeerbaarheid’, daarmee doelend op het feit dat Rawies regels nogal eens troost bieden bij Grote Gebeurtenissen. Verbazingwekkend is dat niet, want de gedichten zijn in hun levensgevoel voor velen herkenbaar, en nodigen door hun universaliteit uit tot iets als bezinning:

‘Je raakt de mensen en dingen kwijt,/ tot je het leven langzaam voelt verglijden/ en deel wordt van het raadsel van de tijd.’

Dat inzicht is niet nieuw en een gedicht van Rawie rammelt uiteindelijk niet aan de poten van je bestaan. Maar de perfectie waarmee hij zijn regels op maat snijdt, met nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt, dwingt wel behoorlijk wat bewondering af.

Maar iets

Mijn moeder die haar lange laatste jaren
in een tehuis voor oude mensen sleet,
had na verloop van tijd steeds minder weet
van dingen die daarvóor haar leven waren.

Ze was haar man vergeten, lief en leed
dat zij om zijnentwille mocht ervaren,
de kinderen die zij had moeten baren
en dat ze die gevoed had en gekleed.

Alles verdween; zij ook. Het meest vertrouwde,
wat als ons lichaam eigen is, verdwijnt,
en waar wij onze ziel voor geven zouden,

het wordt als niets. Toch hoop ik op het eind
al was het maar iets vast te kunnen houden
van wat nu nog zo onontbeerlijk schijnt.

Jean Pierre Rawie – De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag. 60 bladzijden, 15 euro, ISBN 9789035138148

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Janita Monna. Nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt.”

  1. Ek het Jean Pierre Rawie in die laat 1990’s ontmoet. Hy kon heelwat Afrikaanse gedigte uit “Groot verseboek” aanhaal en was (daarom?) baie gewild onder die vroue. Miskien het die driestukpak en wandelstok ook gehelp. Daar het destyds van my Rawie-vertalings in Johann Lodewyk Marais se tydskrif “Ensovoort” verskyn.