Janita Monna. Langs de oppervlakte van het leven

 

Mark Boog – Maar zingend

Niet dat Mark Boog nu zo’n duistere dichter was, zeker niet. Somber, dat wel, z’n boodschap althans, want die die behelsde zoveel als: we leven zinloos en dat doen we ook nog eens helemaal alleen. Toch wist Boog die weinig opwekkende visie op de mens over het algemeen tamelijk monter en bijna terloops te verpakken.

Ook weer in zijn onlangs verschenen dichtbundel, Maar zingend. Daarin klinkt weliswaar nog altijd datzelfde deuntje, maar er is ook iets veranderd: Boog is directer geworden, z’n zinnen kordater en vooral, hij oogt minder gelaten. En dat klinkt dan zo: ‘Er is altijd wat te zeggen/ voor gewoon maar doorgaan/ de schrale plekken vrolijk negerend.’

Dat is wat Boog doet in deze gedichten. Ingewikkelde vragen en lastige, soms pijnlijke kwesties stipt hij aan – wij bestaan via de ander, de vrije wil – om over te stappen op de orde van de dag. Zonder al te veel omhaal van woorden laat hij zien dat het zoeken naar een antwoord op grote levensvragen weliswaar is wat mensen drijft, maar dat van dat gezoek niet te veel verwacht moet worden. Want de mens is als een reiger die stil staat naast een vijver en speurt naar vis: ‘het heldere water een verschrikkelijke spiegel – / vind zo verdomme maar eens vis// we zien alleen onszelf, vermoeden onszelf/ in het betoverd rimpelen.’

In Boogs poëzie hoor je dichters als Hans Faverey en Toon Tellegen, die laatste bijvoorbeeld in regels als ‘De twijfel marcheert dit gedicht binnen.’ Ook eigen werk herneemt hij, zoals in de reeks ‘Naast iedere wieg, waarin sprookjes voorbijkomen met feeën in de rol van de voorzienigheid. Maar ook zij komen met hun voorspellingen niet veel verder dan ‘Nou ja, we zien wel./ Ik wil mijn voorspelling/ later graag preciezer formuleren.’

Kinderen, zo laat Boog in deze serie zien, zijn geen tabula rasa, maar een ‘leeg slagveld’, waar straks alle opgedane levensindrukken slag zullen leveren. Maar tot ze dat beseffen, hebben de dingen nog zin. En ouders houden het sprookje van de zinvolheid lang in stand, met verhaaltjes over bijvoorbeeld de tandenfee, die je tand onder je kussen vandaan haalt en er iets voor in de plaats legt:

 

Van elk verlies moet iets goeds komen, dat is beloofd.

Dat het vertrouwen en de aangeboren hoop

lang bij ons mogen blijven.

 

Boogs poëzie zit stikvol regels die zó op een tegeltje kunnen:

 

Elke volgende lente is een kleiner deel

van het mooie leven.

 

Maar Mark Boog doet veel meer dan tegeltjeswijsheden in het rond strooien. In Maar zingend scheert hij scherp langs de oppervlakte van het leven. En juist door die opgewekt zakelijke benadering: ‘Dagdagelijks verlies./ Steeds onnoemelijk [ verschijnsel]’, en die bijna schouderophalende toon, valt zijn vertrouwde liedje opnieuw rauw op het dak.

 

Van elk verlies

 

De verloren tand onder het kussen, het hoopvolle

hoofd in ondiepe slaap er krachtig opgedrukt.

Alles kan ontsnappen.

 

Van elk verlies moet iets goeds komen, dat is beloofd.

Dat het vertrouwen en de aangeboren hoop

lang bij ons mogen blijven.

 

Sommige dingen weten we liever niet.

Er is de ernstige oudertaak dingen niet aan te leren.

Zelfs geen guitige toespeling over het kinderhoofd heen!

 

De slaap, de slaap, en het donker kolken van taal.

De bedoeling, de winst en de rekening.

Het kind.

 

Mark Boog – Maar zingend. Cossee, 96 pagina’s, 18,90 euro, ISBN 9789059363731

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.