Janita Monna. Groteske zelfrelativering

Wouter Godijn – Hoe H.H. de wereld redde

Wat een ongelooflijke ouwehoer, die Wouter Godijn. Sla Hoe H.H. de wereld redde, zijn nieuwste bundel, open, zie de overvolle pagina’s, de verschillende lettertypes, de tekeningetjes en je weet: deze woordenstroom is geen poëzie voor de luie leunstoel, hier wordt ook iets van de lezer verwacht.

En jawel, direct in de eerste regels richt de dichter zich smekend en stroop smerend tot zijn gehoor: ‘Sinds ik ziek ben (zie mijn vorige bundels, koop ze, o, koop ze toch, lezen kan desnoods achterwege blijven, als u ze maar, o, u zo dankbaar, lebber, lebberlebber’.

Die stroop is nodig, want het pad dat voor de lezer is uitgestippeld ligt bezaaid met punaises, letterlijk: ze zijn getekend aan het slot van het openingsgedicht. Wie desondanks met de dichter wil meegaan wordt deelgenoot van een doorlopend gesprek, van de dichter met zijn lezer, van de dichter met zichzelf, zijn gedachten en zijn muzen. Godijn ratelt maar door en hij springt – ogenschijnlijk – van de hak op de tak. Eerder dan een dichtbundel is Hoe H.H.de wereld redde het verslag van het proces van de totstandkoming ervan. Invallen, handelingen, mislukte regels, commentaar op het geschrevene, leesaanwijzingen, ze maken allemaal, zonder onderscheid, onderdeel uit van de tekst: ‘(o, even tussen haakjes, zou u zo goed willen zijn die stem die erdoorheen neuzelt: (…), te negeren?)’

Onderwerp van ‘gesprek’ in het werk van Godijn is al geruime tijd zijn chronische ziekte en in deze bundel spaart de auteur zichzelf noch zijn lezer. Het gaat over afbraak, vergeten, uitslag aan een piemel, vogels in de hel, muzen, hoeren, over ontlasting, en over verlies van verwondering – ‘ziekte maakte alles strak en overzichtelijk’. Intieme onderwerpen, maar door het maakproces centraal te stellen, wordt het nergens te persoonlijk. Dat het bovendien geen academische metapoëzie wordt heeft te maken met Godijns groteske zelfrelativering, met zijn idiote en ironische grappen, die soms bijna misselijkmakend zijn: ‘zijn enorme drollen die een gelijkenis vertoonden met hermetische poëzie.’

De dichter doet in zijn werkwijze – het zichzelf in de rede vallen, de stem en de tegenstem of de ruis – en zijn droge humor opvallend denken aan P.C. Hooftprijswinnaar Tonnus Oosterhoff. En ook Godijn gebruikt graag dialect en andere vormen van spreektaal. Godijn zoekt daarbij nadrukkelijk de lezer: ‘Waar gaan wij/ in elkaar over? Waar kruisen wij/ als degens’. Toch is het de lezer niet gegund om te dichtbij te komen: ten afscheid wordt hem op de laatste pagina nog een handvol punaises voor de voeten gestrooid.

Tot slot, wie is nu eigenlijk H.H.? Dat is jazzmusicus Herbie Hancock, uit wiens ‘hoeksnelle handen’ – aldus de dichter – ‘tovermuziek stroomde’. Muziek die de gedachte dat ‘verwondering’ niet meer mogelijk is, heeft doen wankelen. Die glimp van schoonheid biedt een ‘ienieminibeetje’ tegenwicht aan het verval in deze poëzie.

 

De zebra voelt zich eenzaam

 

Regen staat als zonnestralen

om de dromerige, pas getrokken, kaasgele

kies. De zebra voelt zich eenzaam.

Help ons! Help ons!

 

roepen de rugbyspelers.

Ik roep niets.

Ik heb alle hagelslag opgegeten,

wondjes op mijn eikel, twee

op de vurige, rode rand die zóóóó

 

lijkt op de rand van een paddenstoelenhoed,

nog geen afspraak met de dokter, talrijke maar vage voornemens

die wriemelen als jonge kom op, nee, klimopplantjes.

Toen ik vanmorgen iets wilde zeggen

zei ik ‘via’, maar wat ik wilde zeggen

was dat niet – en wat ik had

 

willen zeggen, was me ontschoten.

eigen. stralen. kaaskies. Help ons!

Ik word niet geholpen, ik roep niets.

 

Wouter Godijn – Hoe H.H. de wereld redde. Atlas Contact, 61 pagina’s, 24,95 euro, ISBN 9789025437831

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.