Luuk Gruwez. Een god, ontgoocheld en opgebrand

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Een God, ontgoocheld en opgebrand

 

De auteur: werd tien jaar geleden voor ‘Varkensroze ansichten’, zijn vorige bundel, alom bejubeld en zowel met de Jan Campertprijs als de VSB Poëzieprijs bekroond.

Het boek: een bundel waarin de van origine Marokkaanse dichter op zoek gaat naar zijn identiteit op het raakvlak tussen een islamitische en een sterk door consumentisme gedicteerde westerse cultuur.

Ons oordeel: gedichten die getuigen van een verbluffende verbeeldingskracht.

Ontzag, deernis en lacherigheid: het zijn drie kwalificaties die nogal van toepassing zijn op ‘Tempel’, de jongste dichtbundel van Mustafa Stitou. Hij somt die drie substantieven zelf op in een gedicht. Deernis is er met wie van zijn waardigheid wordt ontdaan, in casu in de cyclus ‘Koeiensuite’, waar de beroemde herkauwer van een mythisch en heilig dier degradeert naar een nummer (Doortje 3017). Ontzag is er voor de wereld van de vaders en bij uitbreiding, met hen verbonden, die van de goden. Maar die laatsten zijn ook onderhevig aan kritiek. ‘God stierf,’ luidt het, ‘een halfuur voor Hij / de schepping zou voltooien, / ontgoocheld en opgebrand.’ En elders heet het dat in Mekka de met een zwart kleed bedekte kubus, die de bijnaam Huis van God draagt, vanbinnen leeg is. Lacherigheid ten slotte kenmerkt deze gedichten vanwege het hoge humorgehalte en de ironie, met name in de observatie van de consumptiemaatschappij. Stitou neemt het massatoerisme en de plastische chirurgie omstandig op de korrel in hoogst vermakelijke gedichten: ‘Zeg dus maar / dag tegen je haveloze vagina, / wuif je morsige labia maar uit, wij / leveren maatwerk.’ Niet alleen wordt hier de plastische chirurgie gepersifleerd. De dichter schetst haar impliciet ook als een potsierlijk middel om de dood te lijf te gaan. Want zelfs God, zo betoogt hij, is niet volmaakt. Zijn schepping behoeft retouches. Dat maakt hem trouwens plots menselijk en dus sterfelijk. Het is kennelijk aan de mens om de kwalijke gevolgen van het goddelijke gestuntel ongedaan te maken.

De souplesse waarmee Stitou zich weet in te leven in al het bestaande, of het nu een vliegje of een of ander ding betreft, getuigt van grote empathie. Vooral de manier waarop hij zich in dieren weet te verplaatsen is sinds ‘Varkensroze ansichten’ (2003) zijn handelsmerk geworden. In ‘Tempel’, waar de koe zo dominant aanwezig is, wordt haar verschijning op een rotswand van het laat-paleolithische Altamira gelieerd aan een plek in het heden waar zij mechanisch wordt gemolken. Twee werelden, die van de techniek en die van de natuur, worden met elkaar geconfronteerd. Stitou heft dichtenderwijs de barrières op tussen het vergoddelijkte en het mythische enerzijds en het triviale anderzijds. En verder eveneens tussen alle categorieën van het bestaande, of het nu om levende of dode dingen gaat. Hij doet zulks in een sterk wisselend idioom dat tussen parlando, archaïserende gebedstaal en soms te gratuite associaties laveert.

Net zoveel aspiraties heeft de dichter als de door hem beschreven koe. Als hij door één enkel iets gemotiveerd lijkt te zijn, dan wel door deze vraag: hoe kan ik in hemelsnaam ontsnappen? De koe droomt namelijk. Van sterrenhemelen om onder te slapen en van rivieren om over te zwemmen. Van een vacht van sneeuw en van zoveel meer. Precies dat maakt ook haar menselijk. Stitou maakt, getuige wat hij ook met God doet, alles menselijk. Hij dicht zelfs denkvermogen toe aan een gevonden schoen. Elders beschrijft hij de geschiedenis van een mannetjesvogel in een zomereik. Van zijn vrijage met een wijfje, over de conceptie en het broedproces, tot de kroost die daarvan het gevolg is en weldra de nestkast verlaat. Het gedicht gaat over een ideaal bestaan, dat wel iets weg heeft van dat van een mens, maar er toch behoorlijk van afwijkt doordat er geen enkele narigheid mee gepaard gaat. Alleen aan het eind stelt de vogel een anomalie vast bij zijn nakomelingen: ‘(En vreemd gedrag vertonen soms, / uit het niets mijn uitwerpselen / uitsmeren over een dode tak’ Maar is het niet juist zo’n afwijking die ertoe bijdraagt dat deze vogels toch weer menselijk lijken?

Opvallend is ook Stitous vermogen om zich in te leven in diverse culturen als die van de islam en die van het christendom. Een van de kernthema’s van de bundel is zijn zoektocht naar een identiteit. ‘Twee halve gezichten heb ik,’ schrijft hij. Om zijn eenheid te hervinden, weigert hij zich toe te spitsen op het conflictueuze: ‘Vergeet het verschil / en je zult identiteit vinden.’ Toch lag een potentieel geschil al op de loer in het (proza)gedicht waarmee de bundel opent. Dat gaat over een zoon die de doodskist met zijn vader op zijn rug draagt met de bedoeling hem naar zijn graf te transporteren. Vermoeid vraagt hij zijn vader op zeker moment zelf een eindje te lopen, wat geschiedt, waarna die spontaan in het graf gaat liggen dat voor hem gedolven is. En dan beseft zijn zoon: ‘Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is (…).’ Het is duidelijk dat Stitou afstand genomen heeft van de god van zijn vader. De tempel die hij tegen het eind van de bundel betreedt is er alvast een van anderssoortige goden: ‘de letters der ketters vliegen (er) klapwiekend op (…).’ Veeleer lijkt hier sprake van een soort bibliotheek of misschien wel van het huis van de poëzie. De dichter zweert er in elk geval bij: ‘Keer deze tempel de rug niet toe (…).’       

__________________

Mustafa Stitou

Tempel

uitgeverij De Bezige Bij, 64 blz., 16,50 euro

 

 

Koeiensuite

 

1

 

Waar denk je aan, Doortje,

Wanneer je de robot betreedt,

Zijn laserstraat je uier aftast –

 

Ontsnappen aan de stal

En dit systeem? Door uitgestrekte

Grasvlakten draven, Doortje?

 

Zwemmend rivieren oversteken?

Onder de sterrenhemelen slapen

En ‘s winters een mantel dragen

 

Van sneeuw? In rotssteen misschien,

Doortje 3017, vereeuwigd worden

Met zware, sierlijk voorwaarts

 

Gerichte hoorns door een

Verwonderde hand uit

Het paleolithicum? Doortje?

 

Mustafa Stitou

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Luuk Gruwez. Een god, ontgoocheld en opgebrand”

  1. ek sien die lasers op Doortjie