Janita Monna. In toom gehouden taal

 

Miguel Declerq – Boven water

Jona in de walvis is een van de meest tot de verbeelding sprekende Bijbelverhalen. Al is het evengoed een van de meest angstaanjagende: opgesloten zijn in een onbekende wereld, waarbij het maar de vraag is of je die ooit nog zult verlaten. Dat fantastische en onbehaaglijke, zorgt er ongetwijfeld samen met de symboliek voor dat de geschiedenis van Jona regelmatig opduikt in de literatuur. Ook nu weer in een gedicht over kamers ‘waaruit je niet meer weg geraakt’, getiteld ‘In de buik van de walvis’, uit Boven water van de Vlaamse dichter Miguel Declerq.

Declerq debuteerde eind vorige eeuw en ontving voor dat debuut, Person@ges, meteen de Hughes Pernathprijs. Er verschenen daarna nog een dichtbundel en een roman, vervolgens was het tien jaar stil. De walvisbuik en de kamer verklaren iets van de stilte die de auteur nu met Boven water doorbreekt. Want uit de bundel valt op te maken dat de succesvolle entree in de literatuur uiteindelijk een verlammende werking had: een writer’s block was de oorzaak van het lange zwijgen:

‘Na het avontuur/ waren we bedrukt en ongelukkig,/ we waren over het paard getild en doodgeknuffeld. Na het avontuur/ leefde het avontuur in ons voort als een belofte’.

De verwachtingen van anderen, het idee niets meer te zeggen hebben, het gevoel niet serieus genomen te worden (‘moeders kindje schrijft gedichtjes’), dat is waar veel gedichten –meer of minder direct – over gaan. Ergens valt de mooie typering ‘woordverlatenheid’, directer wordt het ook benoemd: ‘aan zijn kaken kon ik zien/ dat hij voorgoed was uitgepraat’. Het writer’s block is als een bubbel waaruit niet valt te ontsnappend en de sfeer in de bundel is dan ook benauwend. Dat wordt overigens heel subtiel bewerkstelligd door bijvoorbeeld de titels van de gedichten. Dat zijn voornamelijk uitdrukkingen die iets met gevaar of mislukking of onzekerheid te maken hebben: ‘Op losse schroeven’, ‘Voor de leeuwen’, ‘Door de mangel’. Toch zijn de gedichten niet per se somber, wat ongetwijfeld komt door het losse, maar in toom gehouden taalgebruik van Declerq. Het is of de ‘woordverlatenheid’ voor een catharsis heeft gezorgd: woorden komen minder kunstmatig dan eerst uit zijn hand. Bovendien gaat ‘Boven water’ over meer dan (niet kunnen) schrijven alleen, en is Het grote zwijgen en hoe daar uit te geraken ook wel eens in milde erotiek verpakt.

Met opnieuw een verwijzing naar Jona heeft de schrijver zich in het slotgedicht ‘Op het droge’ definitief hervonden: ‘Ik schrijf. En als ik het goed en wel begrijp,/ kookt straks de hele wereld over.’ Maar dan, is het toch nog niet afgelopen. Want na de ‘Aantekeningen’ – meestal het sluitstuk van een bundel – volgt een aanhangsel van (persoonlijke) gedichten en striptekeningen. Alsof de dichter na te zijn aangespoeld, na de schrijfproblemen overwonnen te hebben, hier pas écht opnieuw begint.

 

In de buik van een walvis

 

Je hebt kamers

en je hebt kamers:

je hebt kamers die nooit zonlicht zien

en je hebt kamers die het daglicht niet kunnen verdragen.

Je hebt kamers met en je hebt kamers zonder

ramen. kamers

waarin je wegvlucht wanneer het al te laat is

en kamers waar niemand nog komt        kamers

waarin haast dagelijks gestorven wordt                               donkere kamers

en gaskamers                        hartkamers

en kamers

waarin je nooit alleen bent

waarvan de deur op slot is

waaruit je niet meer weg geraakt

 

Miguel Declerq – Boven water. De Arbeiderspers, 56 pagina’s, 17,95 euro, ISBN 9789029584883

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Bookmark and Share

Comments are closed.