Luuk Gruwez. Weigeren te rusten in vrede

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. Weigeren te rusten in vrede

De auteur: is geen veelschrijver. Hij publiceerde onder meer ‘Speelgoed’ en ‘Vervalsingen’ en is met ‘Dat is wij’ pas aan zijn vijfde dichtbundel toe.

Het boek: een bundel waarin de lezer een overzicht wordt geboden van het mogelijke en vooral het onmogelijke van menselijke relaties.

ONS OORDEEL: Leenders slaagt erin een wereld te schetsen waarin het nauwste contact tussen mensen doorgaans dat van het misverstand is.

 

Wie kunnen wij zijn? Volgens Herman Leenders wezens die, ook als zij snakken naar een bevredigende relatie, onvermijdelijk in misverstand, ontreddering, crisis, oorlog en ontluistering belanden. Precies doordat je hunkert naar een ideale relatie, op het amoureuze of op een ander vlak, ben je gedoemd te falen. Al in ‘Het fantastische ogenblik’, het aanvangsgedicht van de bundel, staat te lezen dat uitgerekend de realisatie van een relatie veel stuk maakt: ‘Het is fantastisch/ je nooit gekend te hebben’. De ideale relatie is er haast per definitie een die nooit gerealiseerd wordt. Met andere woorden: zij bestaat niet, kan hoogstens worden verbeeld. Dit getuigt niet meteen van een vrolijk stemmende kijk op de wereld, maar wat je ook met iemand aangaat, het staat garant voor allerlei ongemak.

‘Dat is wij’ luidt de titel. Niet ‘Dat zijn wij’. Die keuze voor een werkwoord in het enkelvoud houdt in hoofde van de dichter allicht in dat er onder mensen geen meervoud, geen verbondenheid mogelijk is en dat iedereen gekerkerd blijft in een eenzaam enkelvoud. Maar wat maakt het uit? Beter dan in een falende relatie te belanden, is het je er maar bij neer te leggen dat de hel de anderen zijn.

Door een spel van contact en verwijdering, nabijheid en afstand, gaat het hier uiteraard ook over de clash tussen aanwezigheid en afwezigheid. Met het gependel tussen beide begrippen goochelt de dichter: ‘Haar pumps staan hier/ Maar haar stappen gaan/ Waar je haar niet kunt/ Volgen (…)’. Erger nog. Haast elke relatie houdt oorlogsvoering in. Indien niet, dan verwijderen partners zich van elkaar: ‘En ook wij breken alle records in afstandelijkheid/ Wij groeien verder uit elkaar/ (…)’. Soms is duurzaam contact niet eens een optie. In ‘De slag der gulden sporen’ zet de dichter een karikatuur neer van een potsierlijke bourgeoise uit Kortrijk die louter en alleen uit getetter, leeghoofdigheid en eigenwaan bestaat. Ook hier stelt de titel opnieuw dat elke relatie oorlog impliceert, maar in de hilarische confrontatie van de dichter met de vrouw in kwestie is de slag al uitgestreden voor hij heeft plaatsgehad. Zo genadeloos is het beeld dat hij meteen van haar schetst: ‘Alsof de Leie/ Door haar reet stroomt/ Haar borsten/ Broeltorens zijn/ Zo prietpraat mijn Kortrijksane (…).’  

Leenders haat prietpraat, krompraat en geklets. ‘We praten en commentateren,’ heet het, (maar) over de liefde en onze doden niets (…).’ In een aantal gedichten bezint hij zich dan maar van de weeromstuit over de efficiëntie van een antidotum: de taal van de literatuur bijvoorbeeld. Maar ook die wordt kritisch tegen de loep gehouden. In ‘Onder dichters’ verwijt Leenders zijn collega’s een zekere wereldvreemdheid en een te grote betrokkenheid bij het pietluttige gehik van hun ik: ‘U hebt nog altijd niet begrepen/ Dat dit geen tijd is voor vogels om te zingen/ En in de wolken niets te lezen valt (…).’ Elders portretteert hij de dichter als een bron van argwaan voor diens niet dichtende medemens. Een buurvrouw verzoekt hem om haar en wat haar zoal aanbelangt toch niet te gebruiken als onderwerp van zijn schrijverij. Zij laadt daarmee een verdenking op hem en zijn collega’s, is er beducht op dat zij haar vuile was zullen uithangen en haar voor schut zullen zetten. Tussen het geleefde en het beschreven leven gaapt hier dus een kloof.

Betekent dit dat deze bundel alleen maar van negativisme is doordrenkt? Welnee, er heerst ook mededogen, zelfs als dit er vaak enkel ter sussing van het geweten komt. Want een mens laat zich liever niet intimideren door andermans leed. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een gedicht waarin het bezoek aan een terminale kankerpatiënte zogezegd wordt geskipt met het oog op een onbezoedelde herinnering aan haar. Maar soms is de empathie met wie straks eindigen moet ook oprechter. Dan trekt de dichter naar het woon- en zorgcentrum Remigius in Pittem om er de confrontatie aan te gaan met wie een leven lang zijn tijd gedood heeft, op welke manier dan ook, en nu zelf door de tijd gedood wordt. ‘Wij waren bakker, wever, timmerman,’ staat er, ‘landsman, stikster, duivenmelker’. Het is merkwaardig dat Leenders met betrekking tot wat iemand geweest is wel dat grammaticale meervoud toestaat. Makkelijker schrijft hij ‘Dat waren wij’ dan ‘Dat zijn wij’. Alsof het heden alles gelijkmaakt. Alsof elk heden de moordenaar van het verleden is.

Hoe hieraan te ontsnappen? De dichter is daar niet erg expliciet over. Het valt wel op dat hij in gedichten waarin hij zijn fascinatie voor kerken, abdijen en kloosters belijdt, een nieuwe dimensie nastreeft. Hij laat er een alliantie toe tussen het sacrale en het profane, tussen het subtiele en het futiele. Onder meer in een gedicht over de voormalige augustijnerabdij van Zoetendale: ‘Dit is een grafsteen voor de eeuwen/ Die ijlen als wolken, razen als auto’s, jagen als wij/ Die weigeren te rusten in vrede.’ Wederom ‘wij’ en die onrust. Maar toch ook de weigering om zich neer te leggen bij een rust die enkel deze van de dood kan zijn.

 

__________________

Herman Leenders

Dat is wij

uitgeverij De Arbeiderspers, 67 blz., 17,95 euro

 

Aantal sterren:

***

 

NAAR REMIGIUS

 

Vroeger waren het grootouders, groottantes

Dan nonkels, moeders, vaders

Nu wij: wees, weduwe, weduwnaar

 

Altijd minder broers

Altijd minder zussen

Zodat wij slobberen in ons vel

 

Wij waren bakker, wever, timmerman

Landsman, stikster, duivenmelker

Wij hadden macht, verstand, kloten, geld

 

Bouwden en wrochten

Naaiden, koersten, dronken

Werden begeerd, omarmd, hadden lief

 

Wij hebben de tijd gedood

En de tijd die wij fêteerden

Doodde ons

 

Zoals later veraf lijkt

Zo onvoorstelbaar

Alsof het gisteren was

 

Herman Leenders

 

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.