Luuk Gruwez. Levendige doden

 

Luuk Gruwez. Levendige doden

 

Weinig doden zijn zo levendig als die van Willem van Toorn. Herman de Coninck, Hans Faverey, Cor Jellema, Adriaan Roland Holst, Guillaume van der Graft en Stephen Watson: zo heten de collega’s voor wie hij in zijn jongste bundel een in memoriam schrijft. Maar ook de oorlogsdoden van de Berry, de landstreek in Frankrijk waar hij woonachtig is, memoreert hij. En familieleden: een zuster, een broer, twee schoonzusters. Bij uitbreiding eigenlijk ‘alle zielen die onze troost behoeven / omdat ze zonder woning zijn.’ Al die doden krijgen een onderkomen in taal. Meer dan een memento mori of een ars moriendi is een dichtbundel als ‘Bezweringen’ evenwel een aanmaning om toch vooral te leven. Uitgerekend het besef dat er voor iedereen een einde is voorzien, leidt hiertoe. En de gulzigheid waarmee de dichter voor het leven kiest, sluit dat doodsbesef allerminst uit. ‘Dodendans’ is de titel van de eerste cyclus: daar wordt in vier gedichten een beeld geschetst van het Duitse klooster van Bentlage in de herfst. De laatste cyclus met als slot een gedicht over een (alweer) Duits voorjaar heet ‘Naar het leven’. Hiertussen, tussen dodendans en levenshunker, tussen Duitse herfst en een Duitse lente, zopas uit een diepe winter ontwaakt, spelen alle verzen zich af.

Het lijkt wel alsof de definitieve bekering tot het leven maar goed mogelijk wordt nadat de dood eerst bezworen is. En bezweren doet Van Toorn met toewijding en empathie. De meeste mensen zijn randfiguren in andermans leven. Soms willen zij dit zelf ook zijn, zoals Wil, zijn schoonzus. Maar deze dichter weet zijn doden zo neer te zetten dat zij alvast in zijn eigen leven een kapitale rol toebedeeld krijgen. Voor elk van hen richt hij een monument op dat hen aanwezigheid verschaft. Hij geeft ze een stem, waarna ze verdomd veel lawaai kunnen maken. In ‘Amstelpark met gezelschap’ voert hij ze op ‘zo dood als een pier, / maar luid als een vrolijke schoolreis.’ Plaats van de reünie: zijn hoofd. Zolang zij daarin mogen verblijven, blijven zij ook bestaan: ‘Ik stel niemand voor, jullie kennen / elkaar uit dat hoofd van mij, / mijn doden van plezier.’

Het park waardoor hij met hen wandelt, is de plek waar de natuur bedwongen en begrepen wordt. Zo staat het er: ‘alsof we werkelijk iets / van de dood begrijpen als we lijnen / trekken waarbinnen het grote verdwijnen / draaglijk lijkt.’ Want de ‘zachte vijand natuur’ dient in bedwang te worden gehouden. Pas dan wordt het park waarin de doden zich voortbewegen, een tijdloze stolp, waaronder iemand, net als in een gedicht, voor even van zijn vergankelijkheid kan worden ontdaan. ‘Ga je dan pas echt dood / als ik straks ook omval?’ vraagt de dichter zich af in een in memoriam Herman de Coninck, waarin hij van hem overigens een herkenbaar portret schildert van iemand met altijd ‘die halve glimlach’.

Misschien speelt in de wens om doden te laten verrijzen voor de toch langzaam op leeftijd zijnde dichter ook het streven mee zo stijlvol mogelijk te sterven, zo mooi mogelijk afscheid te nemen. En daar is hij hier alvast meesterlijk in geslaagd. Hij is daarbij niet blind voor de gruwelijke aftakeling waarmee de nakende dood soms gepaard gaat. Getuige zijn gedicht over de historicus Erik Bloemen, een begenadigd spreker, die kanker kreeg, waarna zijn tong half weg werd gesneden en hij ‘alleen  nog  grommen kon als een beest.’ ‘Ik kwam langs.’ schrijft hij, ‘Hij stonk naar de dood. / Kwijl op zijn hemd.Vergeef me, / maar wat helpt het als ik het niet zeg.’  

Anderzijds troosten de doden en de stervenden soms ook de levenden. Zoals de stervende broer Rien, die het volgende stelt: ‘wat maakt het uit, een mens weet toch / zijn leven lang al dat hij dood moet. / Niemand onmisbaar. Mijn tijd is op. / (…) / En jij hebt straks de foto nog.’ Van Toorn weet het moment inderdaad te vatten en het stil te zetten in een gedicht, stiller nog dan een foto. Hij slaagt erin ogenschijnlijk lukrake taferelen en anekdotes te bevriezen en te laten uitstijgen tot iets universeels.

Onvermijdelijk is daarbij de vraag hoe hij tegenover het transcendente of het bovenmaanse staat. Welnu, hoewel hij ongelovig is, voert hij toch goden op, maar dan als een soort fantasiewezens met metaforische lading. Hij laat ze ‘uit de losse pols’ bepalen wanneer iemands levensdraad dient doorgeknipt. Zij mogen ‘bezorgd onderzoeken / hoe toch de loterij werkt / van het nooit aflatend sterven.’ Dit is natuurlijk ook wat in deze verzen gebeurt. De dichter ontpopt zich als concurrent van de goden die hij zelf opvoert.

Waarom richt Van Toorn monumenten op? Uit een soort anticipatie op het moment dat hij zelf aan de vergetelheid wordt prijsgegeven? Misschien. Maar allicht ook uit ergernis aan de toenemende vluchtigheid. In een in memoriam Adriaan Roland Holst heeft hij het over het feit dat de eens alom geprezen dichtersvorst gedateerd dreigt te raken ‘in dit land zonder memorie’. Misschien is dít wel zijn ultieme drijfveer: zijn strijd tegen de teloorgang van het geheugen.

___________________________

Willem van Toorn

Bezweringen

uitgeverij Querido, 64 blz., 17,95 euro

 

Brief uit de Berry

 

           in memoriam Cor Jellema, weer

 

Motregen op de tuin vandaag. Je ziet

nauwelijks diepte. De grijze boerderij

van madame H. is in een wolk gehuld.

Middeleeuws landschap, net als daar bij jouw graf.

 

Even ontwaar ik jouw tuin door deze heen.

Je zit achter het huis. Je leest. Ik zie niet wat,

maar wil graag dat het Rilke is: Wie soll

ich meine Seele halten, daβ sie nicht

 

an deine rührt – en dat je dan vooral

aan je geliefde tuinman denkt. Alles is maar gedacht

dus mag dit ook. Dat ik je soms zo mis –

je zachte stem, een zeer precies citaat, je glimlach –

 

als ik hier onder de bomen zit, hoef ik toch niet

te zeggen. Lichter wordt het. Ik zie madame H.

op het pad naar haar moestuin. Honderd haast,

moeizaam en brekelijk, maar ze was er al

 

toen van ons nog geen moeder had gedroomd.

Ik zou niet weten waarom dat mij troost.

 

Willem van Toorn



Bookmark and Share

Comments are closed.