Elmar Kuiper. Twee gedigte (Het ondier; Eenzaam)

Het ondier

  

Het laatste licht zwerft langs de kozijnen.

Het ondier oefent zijn kauwspieren en gromt tegen de angst.

De avond wast haar vingers.

De nacht gooit een handdoek in de ring van de uitgetelde bokser.

Op kousenvoeten sluipt het dode lichaam in zijn nieuwe gedaante.

Zo stevig te staan is geen kattenpis.

Zomaar te beweren dat de wind iets aanwakkert.

Langs de kozijnen zwerft het laatste licht.

 

Mist legt een kalme hand op duizenden schouders.

Help me, nikker.

Red me, melkfles.

Herstel, broeder, herstel.

De ochtend wankelt.

Wist ik het maar.

Gedwee, als een grote gele kleuter, schuift de zon mee.

Het ondier oefent zijn kauwspieren en gromt tegen de angst.

Het oude duister wuift onder de kozijnen.

Iets wakkert de wind aan.

 

*

 

Eenzaam

 

 

Je ziet me vaag, schim

van wat ooit geweest is,

van wat nu moet zijn.

 

Je zegt, we delen

 

het litteken, het duel,

waarbij ons paard

het leven liet.

 

Wat ben je stil? Is het steekspel

tussen schaduw en licht beslist?

Kleeft het duister aan je lippen?

 

Je mist me.

Ik blijf een schim. 

Het paard bleef achter.

 

Eenzaam is nu

de strijd die ik voer.      

 

Zo eenzaam

 

als het paard

dat jij huilend

instopt,

 

terwijl mijn gehinnik

voorbeeldig

in zwijgen overgaat.

 

© Elmar Kuiper / 2013

 

Bookmark and Share

Comments are closed.