Stefaan van den Bremt. Twee gedigte (Canon; Cats’ overvloed)

CANON

 

Nijhoff, Achterberg, De Haes

staan voor de sfinx, vragend om aas.

 

Lucebert, Claus en Kouwenaar

lezen als spreeuwen de korenaar.

 

Gorter, Gezelle, Van Ostaijen

zetten de letter in lichterlaaie.

 

Hadewijch, Luyken, Leopold

waken bij licht dat in donker niet stolt.

 

De taal is van Vondel, de parels rijgt Hooft,

de straat is van Breero – zij biedt en hij looft –,

het duister spelt Huygens eer zijn Sterre dooft.

 

*

 

CATS’ OVERVLOED

(Munnikenhof, Grijpskerke, Walcheren)

 

Hij had alles in overvloed: Bijbel en macht,

dit slot als Sorghvliet hem verdroot, de kunst der minne

en sinnebeelden, burgermanswijsheid, verpacht

aan werkend volk, een Gouden Eeuw op schilderslinnen.

 

Al heeft hij liefde noch haar lieve lust veracht,

uit Amors pijlen wist hij ’t Houwelick te winnen;

zijn Trou-ringh temde gulzigheid van het geslacht,

bij grove zinsverdwazing kon hij zijde spinnen.

 

Ook al vergast hij vaak de muze op een dreun,

de wufte muze die van het verstand berooft,

zijn werk blijft overeind, zij het als boekensteun,

als Maechden-plicht bij Vondel, Huygens, Hooft.  

 

Hij had alles in overvloed. Genie? Bijna…

Alleen Jobs mesthoop kwam hij nooit te na.

 

 

© Stefaan van den Bremt / 2013



Bookmark and Share

Comments are closed.